Projectruimtes
13/06/2012
door Wim Waelput
Een artistieke loopbaan verloopt via verschillende actoren, ieder met een eigen functie en een afbakening van hun rol. Opleidingen vormen de kweekvijver voor talent en grote instellingen en musea effenen het pad naar een definitieve aanwezigheid op de internationale scène. Daartussenin bevindt zich een ruim veld dat dit traject mogelijk moet maken of zich net doelbewust naast dit gevestigde circuit ontwikkelt. Dit tussengebied is echter minder duidelijk definieerbaar.
Daarbij komt nog het complexe karakter van dit tussenveld. Zo zijn er verschillende types van organisaties met elk hun eigen finaliteit en belang maar deze verschillende actoren hebben vaak overlappende functies. Dit impliceert dat er niet altijd een duidelijke afbakening kan gemaakt worden tussen de profit en non-profitsector, tussen het onderwijs en het professionele veld, tussen kleine experimentele platformen en grote museale instellingen. De scheidingslijn vervaagt wanneer bijvoorbeeld musea in een projectruimte jonge kunstenaars tonen of kleinere instellingen referentiekunstenaars programmeren die buiten het canon vallen. De exponentiële groei en de professionalisering van de beeldende kunstensector en het toegenomen belang van de internationale context hebben de moeilijkheid om eenieders functie in een eenduidig overzicht te gieten verder in de hand gewerkt.
Parallelle initiatieven: projectruimtes
Onderstaande tekst besteedt aandacht aan kleinschalige initiatieven die weliswaar buiten een institutionele kader opereren, maar niettemin deel uitmaken van het gediversifieerde professionele veld. Het zijn initiatieven die kansen willen bieden aan jonge praktijken of ontstaan vanuit een gezonde kritiek op het institutionele. In Angelsaksische landen zijn deze presentatieplekken gekend als Off Spaces, in Duitstalige gebieden spreekt men van Projekträume. In deze tekst spreken we van projectruimtes. De tekst heeft niet de bedoeling om een licht te werpen op enig bestaande (Vlaamse) organisatie en het sluit andere werkvormen niet uit. Dit segment van het kunstenveld is immers beweeglijk en ontwikkelt zich naargelang bepaalde urgenties of particuliere kenmerken die soms sterk lokaal gebonden zijn. Ze ontstaan bijvoorbeeld door de geconcerteerde aanwezigheid van kunstenaars en van een ontvankelijk publiek of ze worden geïnitieerd in respons tot bestaande actoren of net omdat die ontbreken. Projectruimtes vormen een belangrijke schakel tussen de (kunst-)opleiding en het professionele veld. Het biedt de kunstenaar een platform waar hij zijn eerste (volwaardige) tentoonstelling kan realiseren en zo zijn werk op het publieke forum kan presenteren. Maar een jonge scene zichtbaar maken is lang niet het enige. Projectruimtes ontplooien zich evengoed parallel aan bestaande instellingen en bieden zo ruimte aan artistieke ontwikkelingen die aan de aandacht van institutionele actoren ontsnapt. Ze positioneren zich als onafhankelijke, eigenzinnige en wendbare initiatieven die in de periferie van het gevestigde kunstgebeuren opereren. Grotere institutionele actoren en galeries bieden eveneens kansen aan jonge en niet-gevestigde kunstenaars, in de vorm van parallelle programmalijnen in een nevenruimte. In tegenstelling tot projectruimtes vormt dit niet de kern van hun activiteit. De identiteit van projectruimtes wordt gevormd door hun experimenteel karakter, inherent aan de aspiratie om niet uit te gaan van de vaste waarden en aandacht te geven aan kunstenaars die buiten de officiële canon vallen.
Projectruimtes verschillen onderling in hun organisatiestructuur en werken vanuit verschillende financiële kaders. Ze variëren van tijdelijke samenwerkingsverbanden in tijdelijke lokalen, kunstenaarsinitiatieven, eenmansinitiatieven, nomadische initiatieven tot experimentele kunstplatforms. Ze onderscheiden zich van andere presentatieruimtes door hun dynamisch profiel, dat berust op het initiatief van een individu of een groep die niet zozeer in een structureel verband opereert. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld presentatieplekken en kunsthallen, die beschikken over minimale faciliteiten en een vaste kern van medewerkers met een duidelijke functiebepaling. Deze initiatieven opereren veelal in een flexibele organisatiestructuur. Ze doen beroep op de inzet van vrijwilligers voor het uitvoeren van de verschillende taken, zoals het tentoonstellingsklaar maken van een lokaal, de installatie, het toezicht en de communicatie. Ze steunen voornamelijk op een lokaal netwerk van vrienden en sympathisanten. Dikwijls is een groep kunstenaars de katalysator van dergelijke initiatieven. Projectruimtes hebben zelden toegang tot structurele financieringsbronnen en ontberen vaak financiële middelen. Tentoonstellingen worden met een minimaal budget gerealiseerd. Het budget wordt hoofdzakelijk samengesteld door eigen financiële inbreng, eventueel aangevuld met een kleine projectsubsidie van lokale overheden of soms de regionale overheid. Het beperkte budget wordt ondervangen door een sterk kostenreducerende werking, bijvoorbeeld door beroep te doen op eigen materiaal, uitleendiensten van lokale overheden of (materiaal-)sponsoring. Veelal hebben deze initiatieven geen vaste uitvalsbasis maar maken ze gebruik van goedkope of gratis lokalen: de eigen woning, een atelier of lokalen die particulieren of lokale overheden gratis ter beschikking stellen. Andere initiatieven positioneren zich ideologisch resoluut als nomadisch initiatief of als initiatief dat zich in de publieke ruimte begeeft.
Projectruimtes ontstaan vanuit een dynamiek van onderuit en zijn sterk afhankelijk van de individuele inzet van initiatiefnemers en de mogelijkheden die zich ad hoc voordoen. Deze initiatieven ontwikkelen zich zelden met een perspectief op langere termijn en zijn dan ook efemeer van natuur. Het zijn eenmalige of tijdelijke initiatieven of leiden na een zekere tijd een sluimerend bestaan. De initiatiefnemers schroeven hun engagement bijvoorbeeld terug, waarna ze soms door nieuwe personen worden gerevitaliseerd. Hun invloed is soms merkbaar in de ontstaansgeschiedenis van gevestigde instellingen die de sporen dragen van kleinschalige pioniersinitiatieven. Zelfgeorganiseerde en tijdelijke initiatieven hebben soms een impact die de duur van het gebeuren overstijgt, onder meer door de bindingen die tussen de betrokkenen in de lokale scene ontstaan. Soms ontwikkelen ze zich ook tot een permanente werking, bijvoorbeeld omdat ze worden gesubsidieerd. Hierin schuilt trouwens een merkwaardige paradox: terwijl projectruimtes een plaats opeisen naast het institutionele circuit dringt de vraag zich op of het uitbouwen van een continue werking net geen institutionele verankering betekent. Evengoed kan men hierin de autonome positie bevestigd zien, die toelaat om blijvend vernieuwende of onderbelichte praktijken onder de aandacht te brengen.
Bruggen tussen kunstenaars en publiek
Niettegenstaande de diversiteit in werkvormen en hun soms onconventionele karakter appelleren projectruimtes aan de primaire noodzaak van de kunstenaar om zijn creaties fysiek ruimtelijk te presenteren. In deze context is presentatie gekoppeld aan creatie, zowel in de ontwikkeling van nieuw werk, of componenten die specifiek voor de tentoonstelling worden vervaardigd, als in de ontwikkeling van specifieke presentatiemodellen. Een kunstenaar of tentoonstellingsmaker wordt
uitgedaagd door het unieke profiel van een projectruimte die hem een andere omgeving biedt dan de institutionele plek, de galerie of het atelier; een jonge kunstenaar beschikt in de beginfase van zijn carrière dan weer niet over een omvangrijk oeuvre die hij zomaar in een tentoonstelling kan inzetten. De kunstenaar zal bijgevolg de mogelijkheid tot presentatie willen aangrijpen om een nieuwe stap te zetten in zijn ontwikkeling. Een organisatie kan op deze behoefte inspelen door een productioneel, logistiek en financieel kader te bieden waarbinnen de kunstenaar dit experiment kan aangaan.
Het ontbreekt initiatieven echter soms aan budgetten om hier in te investeren, niet zelden is het de kunstenaar zelf die investeert in zijn productie. Dit kan er op wijzen dat de behoefte aan een klankbord primeert op de behoefte aan pure financiële ondersteuning. Het ontberen van financiële middelen belet niettemin dat initiatieven een rol hebben te vervullen in het bewerkstelligen van een kritische omgeving waarbinnen de kunstenaar zijn werk kan positioneren. Deze behoefte is duidelijk merkbaar bij jonge kunstenaars. Niet zelden overbruggen projectruimtes het hiaat tussen de 'veilige' onderwijsomgeving en de aanwezigheid op het publieke forum. Een kunstopleiding biedt de aspirant-kunstenaar een referentiekader waarbinnen hij zijn artistiek onderzoek kan situeren, hij krijgt de mogelijkheid om in dialoog te treden met collega-studenten en docenten. Deze groep vormt de omgeving waarbinnen hij zijn artistiek werk kan positioneren. Deze 'peer group' valt deels weg na het beëindigen van een opleiding. Projectruimtes kenmerken zich dan wel als een omgeving voor productie en presentatie, desalniettemin is er de nood aan kritische respons.
Een eigensoortige dialoog
De honger van de kunstenaar om met zijn werk naar buiten te treden en een dialoog aan te knopen toont aan dat de rol van de organisatie niet beperkt mag blijven tot het louter faciliteren van het creatie- en tentoonstellingsproces. Haar belang ligt ook in een meer actieve bemiddelende rol en in een duidelijke positionering van de kunstenaar, om zo de potentie van de kunstenaar ten volle uit te dragen. Een tentoonstellingsplatform biedt de kunstenaar de gelegenheid om zijn netwerk te verruimen. Door deelname aan tentoonstellingen komt hij in contact met andere kunstenaars maar ook met het publiek.
Dit contact wordt gekenmerkt door een eigensoortige dialoog die mikt op kritische reflectie of wisselwerking met een publiek eerder dan op passieve receptie van het werk. Projectruimtes cultiveren een lokale dynamiek, die mogelijk in de belangstelling komt van de directe omgeving en de betrokkenheid van het lokale publiek aanmoedigt. De uitwisseling tussen publiek, kunstenaar en organisatie draagt zo de potentie in zich om de kloof tussen hedendaagse kunst en publiek te verkleinen. Onder meer omdat het de mogelijkheid biedt om op een toegankelijke manier in contact te komen of in gesprek te gaan met de kunstenaar. Eveneens van belang is de dialoog met het kunstminnend publiek, zowel een lokaal publiek dat de ontwikkelingen in de eigen stad en regio op de voet volgt als een geïnteresseerd landelijk publiek, dat zich alsdusdanig als klankbord voor de kunstenaar kan opwerpen. Door zich te adresseren aan professionelen uit het veld, zowel kunstenaars als bemiddelaars, bereikt men een publiek dat van betekenis kan zijn in de verdere ontplooiing van de kunstenaar. Het streven naar een breed gediversifieerd publiek lijkt hier van secundair belang en is eerder van toepassing op grotere instellingen met een duidelijke publieksfunctie.
Voor startende kunstenaars vormen generatiegenoten een cruciale groep in de totstandkoming van een dialoog, vaak bestaat dit publiek uit andere jonge kunstenaars. De positie van de jonge bemiddelaar is vandaag minder duidelijk. Heeft dit te maken met beperkte vormingsmogelijkheden voor deze bemiddelaars? Of met het ontbreken van beleidsinstrumenten die zich naar bemiddelaars richten, zoals bijvoorbeeld subsidies? Of krijgen jonge bemiddelaars te weinig kansen binnen bestaande organisaties? Hoe dan ook, door eveneens jonge bemiddelaars te betrekken kunnen organisaties meewerken aan de verruiming van het bestaande netwerk van de kunstenaar. In de beginfase van de artistieke loopbaan is het belangrijk dat de jonge kunstenaar in contact komt met andere jonge culturele werkers zoals beginnende curatoren, critici, schrijvers en vormgevers. Initiatieven die zich richten op jonge posities kunnen een belangrijke rol opnemen in het tot stand brengen van een netwerk binnen deze generatie, uit deze ontmoeting kunnen nieuwe ideeën ontstaan en kan de basis gelegd worden voor toekomstige samenwerking: jonge bemiddelaars zijn de curatoren en critici van morgen. Initiatieven kunnen deze netwerken actief bevorderen en faciliteren door een platform aan te bieden voor samenwerking.
Internationale voorbeelden
Kunsthalle Lothringer 13 in München en Public Space With A Roof (PSWAR) in Amsterdam vormen een interessant voorbeeld in deze.
Lothringer 13 is een non-profit tentoonstellingsplatform dat wordt gefinancierd vanuit de stad München. Het is een ruimte voor productie en presentatie gericht op jonge nationale en internationale kunstenaars. Lothringer 13 bestaat uit twee entiteiten: Lothringer 13_Halle en Lothringer 13_Laden. Lothringer 13 stelt zich tot doel om de lokale Münchense kunstscene aan een bredere internationale context te koppelen. In Lothringer 13 _Halle gebeurt dit onder meer door, naast individuele tentoonstellingen, in een belendende ruimte thematische groepstentoonstellingen en evenementen te organiseren met nadruk op uitwisseling tussen lokale en internationale kunstenaars. Lothringer 13_Laden bevindt zich vooraan het gebouwencomplex en heeft een experimenteler karakter. Het programma wordt verzorgd door een wisselend interdisciplinair team van jonge kunstenaars, curatoren, kunsthistorici en starters uit andere (wetenschappelijke) disciplines (het huidige team bestaat onder meer uit een cultuurwetenschapper en een politieke wetenschapper). Lothringer 13_Laden hanteert een werkvorm met een uitgesproken experimenteel profiel en richt zich naar alle praktijken, zowel kunstenaars als bemiddelaars. Het initiatief kent een lokale inbedding maar opereert vanuit een internationaal blikveld, onder meer door de organisatie van een residentieprogramma voor jonge internationale kunstenaars. Ook in de werking van Public Space With A Roof (PSWAR) in Amsterdam ligt de nadruk op de kruisbestuiving in de uitwisseling van ideeën tussen artistieke praktijken en onderzoekers. PSWAR is een projectruimte die in 2003 werd opgericht door een groep Rietveldstudenten met het idee om een productie- en presentatieplek te koppelen aan een discursief platform met aandacht voor de dialoog met het publiek. Het ontstond uit de noodzaak aan een tentoonstellingsruimte, waarbij men tegelijk een brug wilde slaan naar praktijken met een theoretische benadering. Door deze uitwisseling wil PSWAR nieuwe ideeën opsporen en zich richten op vernieuwende praktijken en experimentele tentoonstellingsmodellen. Naast tijdelijke tentoonstellingen met eigen werk nodigen de initiatiefnemers ook andere kunstenaars uit. Daarnaast initieert PSWAR langlopende onderzoeksprojecten.
Experimentele en flexibele werkvormen
Vanwege het hybride karakter van projectruimtes in de relatie experiment, creatie en presentatie enerzijds, en in de relatie tussen kunstenaar, bemiddelaar en publiek anderzijds– kan men geen eenduidige werkvorm vastleggen. Het gevaar dat dit ten koste gaat van de zichtbaarheid in het professionele veld en een initiatief reduceert tot iets in de marge van het kunstgebeuren is niet onbestaande. Door de ontwikkeling van een eigen artistieke visie, met een duidelijke inhoudelijke profilering en positionering, kan een organisatie zich wapenen tegen deze perceptie. Ze moet daarbij uitgaan van de specificiteit van haar werking. Het getoonde oeuvre laat zich namelijk niet zomaar inschrijven in een ruimer referentiekader en in het experimenteel karakter is een zekere risicofactor inherent: slaagt de kunstenaar erin om zijn posities en uitgangspunten consequent beeldend te vertalen? Een organisatie zal het vertalingsproces van hybride artistieke uitgangspunten naar concrete verwezenlijkingen niet enkel intensief moeten begeleiden maar ook de bijzonderheid van dit proces doelbewust en met een flexibele ingesteldheid moeten benaderen. Presentatieplekken dienen de onzekerheid met betrekking tot het finaal resultaat te onderkennen en de precariteit van deze zoektocht als kern van haar profiel uit te dragen en het alsdusdanig publiekelijk te vertalen.
Tot slot merken we op dat experimentele en flexibele werkvormen geenszins een professionele houding en kritische werkwijze in de weg hoeft te staan. Een kritische ingesteldheid moet nagestreefd worden in elk aspect van de werking: in de keuze van de kunstenaar, in de dialoog met de kunstenaar in de ontwikkelingsfase en de uiteindelijke realisatie van de tentoonstelling en in relatie tot het publiek. Een projectruimte is een platform waar de jonge kunstenaar met zijn werk naar buiten treedt en waar een bemiddelaar het vak kan leren. Het betekent, als kweekvijver voor jonge professionelen, een referentie en een opstapmogelijkheid naar het professionele circuit. Maar evengoed breng ze artistieke posities aan de oppervlakte die buiten het algemeen discours over kunst staan. Ze bieden kansen aan praktijken die een autonome positie claimen door in de periferie te opereren. Projectruimtes geven vorm aan vernieuwing en ontwikkeling en staan mee in voor de continuïteit van het artistieke veld. Door een kwalitatieve invulling en een heldere positionering neemt de projectruimte haar rol in de professionele kunstwereld ten volle op.
Wim Waelput is stafmedewerker artistieke projecten bij School of Arts - Hogeschool Gent en is de artistieke verantwoordelijke van KIOSK te Gent.

