artikel

Nood aan een schottenloos decreet: subsidies voor audiovisuele en beeldende kunst

Wat vooraf ging

1. Beeldende kunst

Vlaanderen heeft altijd uitmuntende kunstenaars, curatoren, schrijvers, galeries en verzamelaars gehad die ook in het buitenland worden erkend. Individuen met passie en kennis van zaken. De ontwikkeling van een kader voor gesubsidieerde instellingen die niet marktgericht werken, die kunst publiek maken en een link leggen naar de maatschappij, is relatief recent. Musea voor hedendaagse kunst werden onafhankelijk van elkaar opgericht in de jaren 1970 en 1980 door steden, provincies en de Vlaamse overheid. Jarenlang moesten ze vechten voor een eigen gebouw en voor meer middelen om professioneel en internationaal te kunnen overleven. Daarnaast was er enkel geld voor projecten en niet voor structuren, maar dat stond de creativiteit en diversiteit van de kunstscène niet in de weg. Deze mentaliteit resulteerde tijdens de jaren 1980 en 1990 in tal van tentoonstellingsprojecten, kunstenaarsinitiatieven, tijdschriften, vzw's en eenpersoonsorganisaties.

bksubs.jpg

Eind jaren 1990 ondersteunde de Vlaamse overheid organisaties beeldende kunst met projectsubsidies en jaarwerkingen. In 1999 ging het bijvoorbeeld over 22 organisaties die steun kregen voor een jaarwerking: twee grotere spelers ontvingen elk 2.500.000 BEF en 3.000.000 BEF, andere kregen bedragen van 175.000 BEF tot 800.000 BEF, zes kleinere organisaties ontvingen elk gemiddeld 120.833 BEF. In 2001 besliste de Vlaamse overheid een tiental organisaties te erkennen als 'beeldende kunstcentra'. Uiteindelijk kregen zes organisaties (Argos, NICC, On Line, Roomade, Kunsthalle Lophem en Netwerk) elk gemiddeld 5.150.000 BEF.
Met deze regeling wou de overheid de opstart van een aantal ontwikkelingsgerichte centra stimuleren. De verscheidenheid van deze organisaties en het ontbreken van een langetermijnperspectief van de overheid had zowel voor- als nadelen. In Vlaanderen vond men geen gestructureerd netwerk van kunstplekken zoals de FRACs in Frankrijk of de talrijke Kunstvereins in Duitsland. Dit stramien van zes centra voor Vlaanderen werd later verfijnd met zowel grotere als kleinere centra voor beeldende kunst. Ondertussen veranderde ook het landschap: er ontstonden nieuwe initiatieven zoals kunsthallen (Extra City en Wiels), kleinere door kunstenaars gedreven organisaties, initiatieven voor aanstormende kunstenaars, festivals (Beaufort, Contour...), werkplaatsen, en er kwam meer aandacht voor beeldende kunst binnen andere disciplines. Tot 2006, toen het Kunstendecreet in werking trad, stegen de budgetten voor organisaties en projecten beeldende kunst van 352.008 euro in 1999 naar 1.963.000 euro in 2005.

Voor kunstenaars ontwikkelde de overheid al in de tweede helft van de jaren 1980 een beurzensysteem, naast steun voor buitenlandse residenties. Deze steun was bedoeld als tussenkomst in kosten (pas recent mag een kunstenaar ook een percentage daarvan gebruiken voor 'loon'). Het was een rugzak om extra middelen en coproducties te zoeken, en punctueel van aard. Kunstenaars werden immers verondersteld hun inkomsten in hoofdzaak buiten subsidies te zoeken. Deze budgetten voor kunstenaars stegen van 327.219 euro  in 1999 tot 744.000 euro in 2005 en tot 807.500 euro in 2008. Ten slotte was er de regeling voor aankoop van hedendaagse beeldende kunst door de Vlaamse Gemeenschap. Hoewel niet bedoeld als rechtstreekse steun aan kunstenaars vormde dit toch een belangrijke inkomstenbron, eerst op voordracht van de commissie Beeldende Kunst (in 1997 was er een budget van 10,6 miljoen BEF), vanaf 2002 door één curator. In 2006 werd deze regeling vervangen door ad hoc aankopen van sleutelwerken of topstukken.

Het Kunstendecreet bood in 2006 heel wat perspectieven voor deze ondergefinancierde sector: de mogelijkheid om op langere termijn te plannen (twee of vier jaar), het vooruitzicht van een gemeenschappelijk kader voor de kunsten en vooral de belofte van budgettaire schottenloosheid, waardoor dossiers en plannen geëvalueerd konden worden op basis van gelijkheid. Het decreet was bovendien open genoeg zodat de diverse werkvormen en functies die typisch zijn voor beeldende kunst er probleemloos een plek in vonden: onderzoeksgerichte tentoonstellingen, omkadering met catalogi en publicaties, creatiegerichtheid, internationale profilering en netwerking, enz.

Minister Anciaux was zich bewust van de achterstand en beloofde extra middelen voor onder andere beeldende kunst. Sector, belangenbehartigers, steunpunt en commissie berekenden wat er minimaal nodig was aan middelen voor verschillende types organisaties. De beloofde inhaalbeweging kwam er in 2006 slechts gedeeltelijk en de maatstaven voor professionele werkingen werden niet gevolgd, ondanks het feit dat er meer middelen kwamen. Het bedrag voor beeldende kunst (kunstenaars, organisaties, steunpunt en internationaal) steeg van 7.607.745,00 euro in 2005 naar 9.992.936,00 euro in 2006. Meerdere vierjarige subsidieaanvragers werd een tweejarige werking voorgesteld met in het vooruitzicht meer middelen voor 2008. De subsidies voor jaarwerkingen schommelden in 2006 tussen 200.000  en 800.000 euro voor kunstencentra, tussen 75.000 en 670.00 euro voor werkplaatsen en tussen 52.000 en 300.000 euro voor beeldende kunstorganisaties. Dit bleef onder de verwachtingen. Met de volgende ronde voor de tweejarige werkingen in 2008 gebeurde net hetzelfde: er kwam een beetje meer geld bij voor beeldende kunst maar zeker niet wat men minimaal nodig achtte voor de types van werkingen.

2. Audiovisuele kunsten

Hier behandelen we de steun voor presentatie, distributie, educatie en omkadering van audiovisuele kunsten. Steun aan creatie is een bevoegdheid van het VAF.
De sector van vertoning en omkadering wordt sterk bepaald door profitspelers zoals distributeurs en bioscopen. Non-profitinitiatieven zoals filmfestivals, distributeurs, filmhuizen, filmclubcircuits, tijdschriften, archieven en educatieve projecten ontstonden in de jaren 1970 en 1980. Ze zetten zich af tegen de dominantie van het Hollywood-entertainment, verzorgden een divers aanbod met een culturele meerwaarde en werkten aan een audiovisuele cultuur via archieven, tijdschriften, educatie en omkadering. Arthousebioscopen werden nooit gesubsidieerd vanuit de Vlaamse overheid en dat is nu nog steeds zo.
In de jaren 1990 kwamen er spelers bij die inpikten op nieuwe ontwikkelingen zoals video, wereldcinema, mediakunst en cross-over met disciplines als beeldende kunst en theater. Enkele ontvingen een grotere subsidie zoals het Internationaal Filmfestival Gent of Filmmagie maar van de meeste initiatieven (groot en klein) kan gezegd worden dat ze ondergefinancierd waren en hun werking baseerden op vrijwilligers en/of één of twee betaalde medewerkers.

aksubs.jpg

Het in december 1993 opgerichte Fonds Film in Vlaanderen bood het kader voor de ondersteuning van productie en van initiatieven rond presentatie, archivering, educatie en omkadering. De toenmalige Administratie Media en Film beoordeelde en adviseerde zelf dossiers. Midden 2001 werd film overgeheveld van Economie en Media (minister Van Mechelen) naar Cultuur (minister Anciaux) met het plan voor het oprichten van een fonds voor de ondersteuning van productie (het VAF was operationeel eind 2002) en met een regeling voor het indienen, beoordelen en subsidiëren van audiovisuele initiatieven. Met de term 'audiovisueel' en 'audiovisuele kunsten' werd bewust gekozen voor een bredere invulling dan enkel film.
Het VAF startte in 2003 met een jaarbudget van 12.500.000 euro, ondertussen opgetrokken tot 16.554.000 euro (inclusief tv-drama) in 2009. Voor de audiovisuele verenigingen en festivals was er in 2003 een bedrag van 1.686.917 euro beschikbaar. Hiermee wordt duidelijk dat er pas in de jaren 2000 gestart kon worden met de uitbouw van een geïntegreerd audiovisueel cultuurbeleid. Dit verklaart ook waarom de sector zo versnipperd is en relatief weinig vernieuwing heeft doorgemaakt in de jaren 1990 en begin 2000. Overleven was de boodschap.

De noodzakelijke financiële inhaalbeweging en de dynamisering en vernieuwing van de audiovisuele gesubsidieerde vertonersector is met het in werking treden van het Kunstendecreet in 2006 slechts voor een deel gelukt. De toegekende structurele subsidies stegen van 1.686.917 euro in 2003 naar 1.890.000 euro in 2006, wat neerkomt op een status quo ondanks duidelijk aanwijsbare onderfinanciering. Voor die stagnering waren verschillende redenen: de sector van presentatie en omkadering kwam uit een periode van onderfinanciering, alleen werken en verdeeldheid. Men was nog te weinig zelfbewust en ambitieus omdat men jarenlang gewoon was om te overleven. En door onderfinanciering was er ook nooit tijd en geld om te vernieuwen of om voeling te houden met een veranderend filmlandschap en een veranderende maatschappij. Ook in de audiovisuele kunsten werden dossiers voor vier jaar slechts erkend voor twee jaar met het argument dat er voor 2008 wellicht meer middelen zouden zijn.

Subsidieronde 2010-2013: Noden en verwachtingen vanuit de sectoren

De meerderheid van de organisaties voor beeldende en audiovisuele kunst is in 2008 nog steeds ondergefinancierd. De sectoren hopen voor de volgende subsidieronde nogmaals op een inhaalbeweging om verder te kunnen professionaliseren. Steunpunt BAM presenteert een nota waarin de diverse functies worden opgelijst die mogelijks aan bod komen in een organisatie voor beeldende kunst. Belangenbehartiger VOBK stelt minimum subsidiebedragen voor per type organisatie voor beeldende en audiovisuele kunst die de overheid zou kunnen gebruiken als richtlijn en stimuleert zijn leden om op realistische wijze functies te vertalen in werkingskosten en personeelskosten. Bij de berekening van personeelskosten roepen ze op om CAO-barema's te hanteren; iets wat vele organisaties nog steeds niet durven doen. Ze zijn het gewoon om zichzelf te onderbetalen omdat men ervan uitgaat dat er onvoldoende geld is om alle organisaties professioneel te laten werken. Daarnaast vraagt de sector beeldende kunst specifieke aandacht voor ondersteuning van kunstenaars via beurzen én via steun van organisaties, aandacht voor tijdschriften en publicaties, aandacht voor (internationale) projecten en voor onderzoek, archivering en digitalisering. De sector audiovisuele kunsten staat voor heel wat uitdagingen die te maken hebben met de digitalisering: men vraagt aandacht voor digitale projectie van vertoners en voor de online distributie van de culturele en meer kwetsbare films.

Subsidieronde 2010-2013: de beslissingen

overzichtsub.jpg

Voor beeldende kunst werden er voor de ronde 2010-2013 32 dossiers ingediend voor twee of vier jaar. Hiervan krijgen 21 organisaties effectief subsidie voor een bedrag van 4.715.000 euro. Vier organisaties verliezen hun structurele subsidie en vier organisaties krijgen voor het eerst structurele middelen. De beoordelingscommissie Beeldende Kunst stelt vast dat: de sector nog steeds ondergefinancierd is, dat de professionalisering die ingezet werd met het Kunstendecreet tijd vraagt, dat de sector zijn internationaal karakter nog verder kan ontwikkelen, dat kunstenaars en projecten niet de dupe mogen worden van de nood aan meer middelen voor organisaties, en dat het veld nog meer zou moeten samenwerken en streven naar onderlinge synergie.

Voor audiovisuele kunst werden er voor de ronde 2010-2013 29 dossiers ingediend voor twee of vier jaar, waarvan 22 organisaties effectief subsidie krijgen voor een bedrag van 2.859.000 euro. Vier organisaties krijgen voor het eerst structureel subsidie. De commissie Audiovisuele Kunst stelt vast dat: de dossiers zeer degelijk werden opgesteld, dat er relatief weinig nieuwe aanvragers zijn, dat de aanvragers zich bescheiden opstellen en bijvoorbeeld in de loonberekening te weinig de CAO-barema's hanteren, dat de noodzakelijke vernieuwende benadering ten aanzien van het audiovisuele nog te weinig doordringt, en dat er met de aanvragers nog steeds gaten zijn in het veld - zoals bijvoorbeeld een goede werkplaats audiovisuele kunsten of een tijdschrift dat een theoretisch en educatief kader biedt.

Een schottenloos Kunstendecreet blijft vandaag nog theorie. De adviescommissies werken met een vooropgestelde enveloppe en van bij de start weten ze dat die te klein zal zijn. Het is een haast onmogelijke opdracht om met het opgelegde budget zowel een kleine inhaalbeweging te maken, én ervoor zorgen dat het veld wordt vernieuwd door kwaliteitsvolle initiatieven.  In hun advies aan de minister vroegen de commissies om een beperkte herverdeling van de middelen binnen het totaalbudget voor de kunsten, waarvan aangekondigd werd dat dit niet zou stijgen. Deze nieuwe verhoudingen tussen de kunstdisciplines werden niet gerespecteerd in de uiteindelijke beslissing van de minister. Het totale budget bleek uiteindelijk wél te stijgen, maar de extra middelen gingen nauwelijks naar beeldende kunst. In exacte cijfers is er effectief een stijging voor beeldende en audiovisuele kunst maar in verhouding met het totale budget en met andere disciplines kan je spreken van stagnering of lichte achteruitgang. Ten slotte is de lichte vooruitgang voor beeldende kunst en audiovisuele kunst onvoldoende in vergelijking met de noden van het veld.

1. Beeldende kunst

Door de stijgende ondersteuning in de loop van de voorbije tien jaar groeit er stilaan een zelfbewust veld. Initiatieven stellen hun functies beter op elkaar af en werken vaker complementair: productiegericht en tentoonstellingsgericht, onderzoeksgericht en publieksgericht, landelijk en internationaal, klein en groter, enz. De meeste organisaties zijn nog vrij jong en het veld is nog volop in ontwikkeling. Het Kunstendecreet heeft zeker een positieve impuls gegeven aan die veldopbouw en professionalisering maar er is nog een hele weg af te leggen.

Basiswerking en extra functies

Met deze subsidieronde komen de toegekende bedragen dichter bij wat minimaal nodig is om een basiswerking beeldende kunst professioneel uit te bouwen. Voor de kleinere organisaties 'met een structurele werking die zorgen voor variatie, specialisatie' en voor werkplaatsen worden bedragen van 50.000, 80.000 of 110.000 euro uit vorige rondes opgetrokken tot bedragen tussen 80.000, 130.000 en 250.000 euro. Toch worden voor enkele organisaties bedragen toegekend van 20.000, 50.000 of 70.000 euro, wat alleen kan leiden tot precaire werkingen. Kunsthallen die inzetten op grotere projecten in grotere ruimtes en een internationaal profiel ontwikkelen, blijven schommelen tussen 510.000 euro en 600.000 euro. Het S.M.A.K. krijgt 705.000 euro uit het Kunstendecreet, naast middelen uit het Erfgoeddecreet en van lokale overheden, en is eerder te beschouwing als een uitzondering.

Deze bedragen zijn voldoende voor de basiswerking (werken met kunstenaars, het maken, communiceren en omkaderen van tentoonstellingen), maar zijn onvoldoende om een degelijke publiekswerking en educatie/omkadering uit te bouwen. Terwijl net daar een groot potentieel zit voor de beeldende kunstsector. De middelen zijn ook te bescheiden om in te zetten op netwerken met het maatschappelijke middenveld of stedelijke weefsel (scholen, maatschappelijke groepen, universiteiten en hogescholen, bedrijven...) Ook voor organisaties die echt op internationaal niveau willen meespelen, blijven de budgetten te krap. Dat geldt zowel voor de kleinere organisaties als voor de kunsthalwerkingen.

Geen enkele organisatie kan doorgroeien; alles wordt afgetopt op 600.000 euro. Toch zijn er beeldende kunstorganisaties nodig die een lokale, landelijke én internationale positie innemen en hoog inzetten op lokale inbedding, publiekswerking en internationale samenwerking. Naast de musea voor hedendaagse kunst heeft Vlaanderen twee of drie plekken van dat kaliber nodig. Organisaties met programma's en producties van hoog niveau die relaties aangaan met het maatschappelijke middenveld en de stad, zoals KVS of Vooruit dat doen. Een goed werkende kunsthal met een landelijke en internationale uitstraling, en met een degelijk uitgebouwde publiekswerking, heeft in het buitenland al snel een budget van 1 à 1,5 miljoen euro (Witte de With, De Appel, Whitechapel...) Maar we hoeven niet enkel naar het buitenland te kijken. Sommige initiatieven die in hoofdzaak gesteund worden door Vlaamse provincies krijgen wél budgetten voor zo'n professionele werking, zoals bijvoorbeeld Z33 in Hasselt. Zij hebben naast tentoonstellingen ook een programma van coproducties en residenties, een samenwerking met universiteit en hogescholen, een educatieve werking, een platformwerking in de regio én een missie tot netwerking tussen de regio's in Nederland en Duitsland.

Brussel

Brussel heeft een uitzonderlijk potentieel door het samenspel en de dynamiek van de vele werkplaatsen, het grote aantal (buitenlandse) kunstenaars dat er zich vestigt, de galeries en vertonerinitiatieven die er bestaan. Maar de activiteit van al deze spelers kan nog beter zichtbaar gemaakt worden en vernetwerken. Eén of twee grotere spelers, eventueel aangevuld met een internationaal festival, kunnen die dynamiserende rol vervullen.

2. Audiovisuele kunst

Eerste algemene vaststelling is de contradictie tussen het stijgende belang van het audiovisuele in onze maatschappij enerzijds, en het uiterst bescheiden budget dat de Vlaamse Gemeenschap spendeert aan het ondersteunen van audiovisuele initiatieven aan de andere kant. In een door de markt gedomineerde omgeving is er juist nood aan een divers aanbod, aan educatie en 'gidsen', aan dwarsverbanden met andere disciplines, bibliotheken, jongeren- en gemeenschapswerking. Alle spelers moeten zich nog beter afstemmen op de voortdurende ontwikkelingen in het audiovisuele veld en op de steeds groeiende impact van het audiovisuele in de maatschappij. Men kan zich niet meer veroorloven om een werking te continueren zoals men dat tien jaar geleden deed.

Basiswerking en extra functies

Een aantal organisaties ziet de middelen stijgen, zodat ze verder kunnen professionaliseren. Maar dat kan enkel voor de basiswerking: het maken van programma's, omkadering en communicatie. De festivals stranden op 100 à 150.000 euro en de kleinere vertonerinitiatieven op 50 à 60.000 euro, met uitzondering van het Internationaal Filmfestival en Filmmagie. Ondanks eigen inkomsten en de steun van andere overheden (soms tot 50% of meer van het budget) is dat te weinig om echt landelijk te werken, om een degelijke publiekswerking en educatie uit te werken, en om relaties aan te knopen met andere sectoren zoals bibliotheken, maatschappelijke groepen en creatieve industrie (games, multimedia, interactief, web, enz). Daarnaast hebben organisaties ook internationale ambities voor meer samenwerking, coproductie van events en het uitwisselen van expertise. Ook deze ambities zijn moeilijk te realiseren met de toegekende middelen.

Digitalisering

De grote uitdaging voor de toekomst is het verder beschikbaar stellen van het enorme en diverse audiovisuele aanbod en het gidsen van publiek in de zeer verschillende  uitdrukkingsvormen (klassiekers, wereldcinema, documentaire, interactieve content en games, televisie, enz) Dit kan door digitale projectie of via DVD en digitale platformen.  Hedendaagse technische ontwikkelingen bieden enorme kansen voor zeer divers materiaal. Er kan zeer veel context geboden worden en integratie is mogelijk in allerlei bestaande platformen voor jongeren, onderwijs, bibs, omroepen, enz.  Jammer genoeg zijn nieuwe initiatieven om zulke culturele digitale distributieplatformen op te starten, niet weerhouden door de minister.

Werkplaatsen

Er is plaats voor werkplaatsen die aandacht schenken aan het audiovisuele in  kruisbestuiving met andere disciplines. Positief is alvast dat er nieuwe werkplaatsen en initiatieven bij komen. Binnen het Kunstendecreet kunnen ze zich meer toeleggen op experiment en cross-over. Zo bieden ze een mooie aanvulling op de productiesteun van het Vlaamse Audiovisueel Fonds, dat zich meer richt op 'single screen'.

Lessen voor de sector en het beleid

De sectoren audiovisuele en beeldende kunst zijn erop vooruit gegaan: ze kunnen verder professionaliseren en nagaan hoe met de beschikbare middelen maximale effecten kunnen gerealiseerd worden. Ze moeten ook verder werk maken van verbindingen met andere maatschappelijke domeinen zoals bedrijven, universiteiten, onderwijs, media, ruimtelijke ordening, leefmilieu, en de sociale en urbane context waarin ze werken. Door uit het beperkte kader van hun sector te treden, kunnen ze middelen samenbrengen uit verschillende domeinen en kan er een groter maatschappelijk draagvlak groeien.

De overheid kan in de toekomst verder inzetten op de beeldende en audiovisuele kunsten, en werk maken van de professionalisering ervan. Daartoe is er wel nog een inhaalbeweging noodzakelijk. Dat zou kunnen door minstens 10% speling te laten op het totale budget van de structurele subsidies, zodat een minister bepaalde accenten kan leggen die vooraf helder gecommuniceerd worden. Zo wordt het mogelijk om tot op bepaalde hoogte buiten de 'schotten' tussen disciplines te treden. Ook agentschap, commissies en steunpunt spelen een belangrijke rol bij het begeleiden van dit proces van professionalisering door het organiseren van werkbezoeken, maken van veldanalyses, bemiddelen voor meer samenwerking en synergie. De aandacht voor structuren mag het aandeel van projecten voor organisaties en personen niet in de weg staan. De overheid zou een percentage of minimumbedrag kunnen reserveren voor projecten.
Verder zou men in de toekomst meer aandacht kunnen schenken aan functies bij het beoordelen van dossiers. Zo kan de overheid niet alleen organisaties waarderen maar ook de functies die ze opnemen. Dat zou passen binnen de logica van veldopbouw die niet enkel te maken heeft met relaties tussen organisaties maar ook met functies die al dan niet wenselijk zijn en die op elkaar inspelen.

Ten slotte is er meer overleg en synergie nodig tussen kunsten en erfgoed. In de beeldende kunst worden musea grotendeels gesteund binnen het Erfgoeddecreet. Die musea vormen samen met de kunsthallen, tijdschriften, festivals en werkplaatsen een veld van hedendaagse beeldende kunst. Ook voor de audiovisuele kunsten wordt het digitaal archiveren meer en meer gekoppeld aan een beleid van beschikbaarheid en van ontsluiting. Geen gescheiden materies dus.

Nood aan een schottenloos decreet

Bron: Courant nr. 91
Auteur: Dirk De Wit, Sam Eggermont, Sofie Vreys
Uitgever: VTi
Datum: 20/11/2009

dossiers

trefwoorden (2 found)