tekst

Een unieke ecologie voor kunst, media en technologie in Vlaanderen

Door Dirk De Wit

Uit: Cross-over. Kunst, media en technologie in Vlaanderen. BAM/LannooCampus, 2008, pp 183 - 195

In Vlaanderen is er sinds het einde van de jaren negentig een unieke biotoop ontstaan rond het werken en experimenteren met technologie. Deze biotoop is niet het resultaat van een groot masterplan, maar is gegroeid uit initiatieven van individuen, kleine medialabs (werkplaatsen), organisaties uit het maatschappelijke middenveld en grotere organisaties als kunstencentra, universiteiten en bedrijven. Deze spelers wilden en willen allen nieuwe mogelijkheden van kunstmaken ontdekken en nieuwe maatschappelijke toepassingen van technologie ontwikkelen. Net door het ontbreken van grootschalige mediainstituten in Vlaanderen (zoals bijvoorbeeld ZKM in Duitsland) zoeken mensen elkaar makkelijker op en gaan ze samen aan de slag. Kleine intermediaire organisaties die met kennis van zaken personen en organisaties met elkaar in contact brengen en samenwerking stimuleren, kunnen efficienter en meer flexibel zijn dan grote medialabs die alle aandacht en middelen naar zich toetrekken. Bovendien is het zo dat sectoren zoals wetenschap, innovatie en creatieve industrie meer en meer overtuigd zijn van de noodzaak van samenwerking met kunstenaars en vormgevers. Kunst blijft singulier en kunstenaars hebben hun eigen werkwijze en specifieke manier van denken, maar dat sluit niet uit dat er vanuit meer en meer hoeken verbindingen gezocht worden met de kunsten op zoek naar nieuwe inzichten en verrassende synergieen. Denken we maar aan de verbindingen tussen kunstenaars en culturele organisaties (musea, kunstencentra, centra voor beeldende kunst, festivals), tussen kunstenaarscollectieven en universitaire onderzoekscentra, tussen kunstenaarscollectieven en initiatieven rond vorming en sociale thema's, tussen kunstenaars en bedrijven, tussen kunstenaars en grote innovatieprojecten.

LATEN WE EVEN STILSTAAN BIJ DE NOODZAKELIJKE INGREDIENTEN OM DEZE BIOTOOP TE BESTENDIGEN EN VERDER TE ONTWIKKELEN.

1. Ondanks de mogelijkheden die culturele organisaties, universiteiten en bedrijven aan kunstenaars bieden, in de vorm van coproductie, materiaal en infrastructuur, en het ter beschikking stellen van onderzoekers en ontwikkelaars, hebben kunstenaars nood aan rechtstreekse steun voor hun projecten van de overheid. Daarmee garandeert de overheid de artistieke drijfveer van het creatieproces en daarmee kan de kunstenaar zijn/haar onderhandelingspositie ten aanzien van deze organisaties verstevigen. Met de overheid wordt hier in de eerste plaats de cultuuroverheid bedoeld, hoewel kunstenaars ook rechtstreekse steun kunnen zoeken binnen het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie. Toch is de steun binnen deze laatste domeinen in de eerste plaats bedoeld om de innovatie aan te wakkeren, dit in tegenstelling tot de culturele en artistieke doelstellingen van een cultuuroverheid.

2. Artistieke projecten van kunstenaars die met technologie werken, verlopen dikwijls over meerdere jaren, in verschillende fasen en met een wisselend aantal partners. Zo start een kunstenaar met de preproductieperiode, die gevolgd wordt door een onderzoeksfase waar specifieke partners bij betrokken worden, en die op haar beurt gevolgd wordt door een realisatiefase waar weer andere partijen bij kunnen betrokken worden. Het systeem van de projectsubsidies, waarbij het project moet afgerond worden binnen een jaar, is hier moeilijk toepasbaar. Trajectsubsidies waarbij het project wordt ingediend met een meerjarenplan, in verschillende fasen en met een fasering van het budget zouden een oplossing kunnen bieden.

3. Kunstenaarscollectieven, werkplaatsen en kunstencentra zijn relatief klein en kunnen daardoor moeilijk zelf grote onderzoeksprojecten opstarten. De bestaande onderzoeksprogramma's in het beleidsdomein Economie, Wetenschap en Innovatie zijn geschreven volgens de schaal, structuur en doelstellingen van universiteiten en bedrijven. Het interdisciplinaire onderzoeksinstituut IBBT staat weliswaar open voor partnership met kunstenaars in onderzoeksprojecten, maar de beperkte financiele draagkracht van kunstenaars(initiatieven) maakt een participatie niet steeds haalbaar. Deze kleinere spelers kunnen wel betrokken worden in grotere tijdelijke consortia waar universiteiten en bedrijven samenwerken en waar kunstenaars en culturele organisaties ook een essentiele rol kunnen spelen. Ten slotte kunnen de spelers zoals kunstenaars, werkplaatsen en culturele organisaties ook zelf clusters vormen en onderzoeksthema's voorstellen waar universiteiten en bedrijven kunnen op intekenen. Dit vraagt veel meer afstemming, overleg en samenwerking tussen culturele partijen, wat hen schaalvoordelen zou kunnen bieden. Dit vereist dat culturele partijen kennis opbouwen over de onderzoeksfondsen en de criteria die daarbij horen. Omgekeerd kunnen overheden bij het opzetten van onderzoeksfondsen en het bepalen van criteria ook meer rekening houden met mogelijke culturele partners en hun specifieke schaal, werkwijze en doelstellingen. Steunpunten kunnen hier een belangrijke rol spelen, zowel door informatie over onderzoeksprojecten ter beschikking te stellen als door te bemiddelen tussen verschillende domeinen.

4. Samenwerking tussen culturele partijen en spelers uit de wereld van het onderzoek en de bedrijven is mogelijk wanneer de juiste spelers met elkaar in contact komen (de vraag naar matching) en wanneer deze partners elkaars verschillende praktijken en doelstellingen leren kennen, om van daaruit de meerwaarde te leren inzien van uitwisseling en samenwerking. Pilootprojecten zijn daarom zeer nuttig. Er kunnen goede praktijken uit gefilterd worden omtrent de methode van samenwerken tussen personen en organisaties uit verschillende domeinen.

5. Kunstenaars die gebruikmaken van technologie en van het netwerk komen in aanraking met erg verschillende thema's en verschillende domeinen. Het is daarom erg belangrijk dat deze kunstwerken kunnen vertoond worden binnen alle kunstdisciplines maar daarnaast ook kunnen getoond worden in andere omgevingen zoals de publieke ruimte, in een onderwijscontext, bij vormingsinitiatieven, in onze dagelijkse omgeving (leefwereld, op straat, in kledij...) en binnen media als omroepen en dagbladen. Naast het vertonen, is ook het inhoudelijk omkaderen en de theoretische reflectie noodzakelijk. Het zijn immers nieuwe kunstvormen die heel wat vragen oproepen bij het publiek en waarover een degelijk inhoudelijk debat noodzakelijk is. Dit vraagt gespecialiseerde curatoren, schrijvers en journalisten die met kennis van zaken kunnen spreken, en met een open vizier deze verschillende referenties en de cross-over met andere domeinen benaderen.

6. Ook het hoger kunstonderwijs speelt een belangrijke rol in deze biotoop. Dit onderwijs staat vandaag de dag in Vlaanderen veelal aan het begin van de implementatie van technologie in de kunstpraktijk en het 'materialenpark'. Het besef dat een onderzoeksgerichte en experimentele omgang met technologie noodzakelijk is om als kunstenaar geengageerd te kunnen werken in de netwerkmaatschappij, in welke discipline ook, groeit, maar is vaak toch nog beperkt aanwezig. Studenten worden doorgaans geleerd consument te zijn van de technologie, terwijl de innovatieve productiekant evenzeer de aandacht verdient. Hiermee willen we zeggen dat technologie 'als gereedschap' wel aan bod komt in animatie en computergraphics, videomontageprogramma's, architectuur en grafische vormgeving, maar dat de innoverende impact op de kunstpraktijken een weinig ontgonnen terrein is. Een degelijk onderwijsaanbod op dat vlak is een van de sleutels om tot een bloeiend landschap te komen voor technologie en creatie. Een groot potentieel schuilt in de academisering van het hoger kunstonderwijs, waarbij kunsthogescholen via onderzoeksprojecten, in samenwerking met universitaire onderzoekscentra, hun kennis rond kunst en technologie kunnen verdiepen. Dat kan afstralen op de opleidingen. Denken we maar aan recente onderzoeksprojecten en opleidingen die opgestart werden rond 3D, multimedia, gametoepassingen, elektronische muziek en rond interfaces en vormgeving. Dus ook in het hoger kunstonderwijs zien we positieve ontwikkelingen en verbindingen die aangegaan worden tussen hogeschool, universiteit, culturele organisaties en bedrijven.

7. Meerdere buitenlandse mediakunstcurators zoals Andreas Broeckman (D), Steve Dietz (VS), Matthew Fuller (VK) en Tapio Makela (SF) bevestigen deze unieke ecologie voor mediakunst in Vlaanderen en geven kunstenaars en organisaties, die ze tijdens hun bezoek hebben ontmoet, mogelijkheden om hun werk in het buitenland te tonen en verder te ontwikkelen. Hiermee stippen we een laatste ingredient aan voor zo'n vruchtbare biotoop, namelijk de internationale netwerking. Kunstenaars en onderzoekers van hier kunnen nog meer mogelijkheden benutten in het buitenland om nieuw werk te ontwikkelen, om werk te produceren en te tonen en om deel te nemen aan onderzoeksprojecten binnen universiteiten en/of bedrijven.  

Een unieke ecologie voor kunst, media en technologie in Vlaanderen - Dirk De Wit - 2008

trefwoorden (6 found)

gerelateerde projecten (1 found)