tekst
DOE HET, ELKE DAG, ZELF
Door Liesbeth Huybrechts
Uit: Cross-over. Kunst, media en technologie in Vlaanderen . BAM/LannooCampus, 2008, pp 63 - 73
In het dagelijkse leven realiseren we ons niet altijd dat de grenzen tussen de fysieke en de virtuele werelden alsmaar vager, zelfs onzichtbaar worden. We beseffen wel dat een chatsessie via een computernetwerk verloopt en dus met technologie te maken heeft, maar dat ook onze stad, onze huiskamer of ons voedsel afhankelijk zijn van de technologie, is minder vanzelfsprekend. Ontwikkelaars doen dan ook hun best om de alom aanwezige technologie (vaak aangeduid met de term ubiquitous computing) zo intuitief mogelijk te maken waardoor we af en toe vergeten dat ze er is. Die technologie die actief is onder de zichtbare oppervlakte, kan ervoor zorgen dat we ons 'laten leven' in plaats van zelf te 'leven' en de technologie te 'beleven'. Sommige kunstenaars maken ons opnieuw bewust van die aanwezigheid. Ze spelen een belangrijke rol in het blootleggen van de sociale en culturele impact van die technologie (Kluitenberg, 2006) en helpen ons om op een meer persoonlijke en duurzame manier op onze omgeving te reageren. Louis De Cordier en Sarah Pillen of Anouk De Clercq bijvoorbeeld, tonen via subtiele ingrepen aan wat die vervlechting van de virtuele en de fysieke werelden voor ons leven kan betekenen. Sommige kunstenaars(collectieven), zoals OKNO en FoAM, gaan een stap verder en begeleiden mensen bij hun omgang met de technologie en de media. Ze onderzoeken de technologische netwerken om te zien waar ze kunnen ingrijpen. Zo kunnen ze alternatieve 'netwerkecologieen' installeren. Deze activiteiten worden veelal aangeduid met de term Do It Yourself (DIY). Zij tonen aan waar technologie in onze omgeving een rol speelt, hoe we die kennis in ons voordeel kunnen gebruiken en ook hoe we onze eigen omgeving creatief vorm kunnen geven. Creativiteit is dus niet enkel voorbehouden voor de kunstenaars. Creativiteit situeert zich overal in ons dagelijkse leven. Het helpt om bewuster onze plaats in de wereld in te nemen. Dat kan gaan over het decoreren van onze huiskamer of ons persoonlijk traject door de stad (Certeau, 1988). In wat volgt bekijken we hoe kunstenaars het fenomeen van de ubiquitous computing aankaarten en hoe ze als antwoord daarop netwerkecologieen en DIY-culturen tot stand brengen.
UBIQUITOUS COMPUTING
Sommige definities van ubiquitous computing beschrijven dat technologie 'overal' is, dat onze hele omgeving technologisch wordt, vandaar dat soms de term everyware wordt gebruikt. Andere definities hebben het vooral over het intelligent worden van objecten (things that think). Automation is daarbinnen een belangrijk begrip. De dingen anticiperen bijvoorbeeld op ons gedrag: ik loop een kamer binnen en het licht gaat vanzelf aan. Op die manier moeten we minder over die technologie nadenken en dat vinden we gewoonlijk positief. Voor de computer- en designwereld is zoiets een grote stimulans om steeds 'intuitiever' te ontwerpen (Bolter &Gromala, 2003) (Galloway, 2004). In sommige situaties gaan we datzelfde automatische gedrag van objecten als storend of bedreigend ervaren. Digitale borden bestoken ons gewild of ongewild met visueel 'luide' reclameboodschappen. Bewakingscamera's registreren, in naam van de veiligheid, ons reilen en zeilen in de stad. Klantenkaarten zorgen ervoor dat de gegevens in verband met ons winkelgedrag in allerlei commerciele databanken terechtkomen. Het zo begeerde consumptieplezier heeft als neveneffect dat we deels onze controle verliezen over een belangrijk onderdeel van onze dagelijkse infrastructuur. Kunstenaars zijn vaak geinteresseerd om het onzichtbare zichtbaar (Tufte, 1990), het vanzelfsprekende vreemd, het automatische storend te maken en het materiele aan de oppervlakte te brengen. Die interesse delen ze trouwens met uiteenlopende disciplines, zoals sociale en culturele wetenschappers, en designers. De acties binnen, tussen en over disciplinegrenzen heen kunnen het debat rond ubiquitous computing in zijn veelvuldige aspecten aanwakkeren. Want wat betekent het dat virtueel en fysiek zich gaan vermengen? Hoe kunnen we ons dat voorstellen? Anouk De Clercq ontwikkelde samen met Anton Aeki en Heidi Voet een virtuele ontmoetingsplek onder de noemer hereisthere (2006)1 om hun uiteenlopende blikken op de stad Peking samen te brengen. Kleine draadjes op een zwarte achtergrond verbinden beelden, geluiden en teksten met elkaar. Ze leggen telkens andere verbanden waardoor ze letterlijk de horizon van de makers en het publiek verleggen. Ze zetten dus een virtuele ruimte op, die de hybriditeit van onze dagelijkse omgeving blootlegt. Het werk illustreert het potentieel en de schoonheid van die gelaagdheid in de ons omringende ruimte, maar presenteert tegelijk wat de uitdagingen zijn voor onze dagelijkse communicatie. Zo zullen we meer te maken krijgen met interculturele communicatie of, zoals Louis De Cordier en Sarah Pillen met het project Felt (2003) illustreren, is onze huidige architectuur niet meer helemaal aangepast aan onze nieuwe manieren van communiceren. Als we letterlijk minder aan kabels vasthangen voor ons dataverkeer, waarom zouden we dan nog genoegen nemen met een 'vaste' architectuur, zoals het kantoor? En als onze buitenomgeving zich vult met stralingen en data, moeten we ons dan niet anders gaan beschermen? Waarom kunnen we onze architectuur niet meedragen op ons lichaam? Dat zijn vragen die Louis De Cordier en Sarah Pillen opwerpen met Felt2 een kledingstuk uit dik vilt. De eerste nomaden droegen dit materiaal reeds om zich te beschermen tegen weer en wind. De Cordier en Pillen gebruiken het opnieuw als een nomadische of draagbare architectuur die ons lichaam beschermt in onze informatieomgeving. Zij doen dat met een esthetische en technologisch doordachte ingreep en vestigen zo onze aandacht op de aanwezigheid van technologische netwerken in onze omgeving.
NETWERKECOLOGIEEN
Sommige kunstenaars gaan daadwerkelijk netwerken vormgeven om mee inspraak te krijgen in de alomtegenwoordige technologie. Of ze tonen ons hoe wij zelf een bewust knooppunt kunnen worden, een haast onmogelijke taak in een tijdperk waar de intelligentie van computers de onze ver overstijgt. Toch moeten we de acties van deze kunstenaars niet zomaar interpreteren als een soort humanistische achterhoedereflex in een zogenaamd 'posthumaan tijdperk'. Het bouwen aan netwerken is eerder een manier om inzicht te verkrijgen in onze virtueel-fysieke infrastructuur en ze op een creatieve en kritische manier proberen te hanteren. Kunstenaars verkenden altijd al andere gebruiksmogelijkheden van nieuwe technologieen. Wanneer de eerste draagbare videocamera's, de zogenaamde 'Sony portapaks', beschikbaar werden op de markt in de late jaren zestig, gebruikten kunstenaars deze technologie om er eigen alternatieve medianetwerken mee te creeren (Paul, 2003, p. 241) (Joselit, 2007). Vandaag is het internet het meest besproken voorbeeld van het gepersonaliseerd gebruik van technologische netwerken. Ooit ontsproten uit een netwerk voor militaire doeleinden, ontpopte het internet zich al snel als een werktuig voor wetenschappers om kennis te delen en er een eigen publicatiecircuit mee tot stand te brengen. Ook heel wat kunstenaars en netcritici hebben niet gewacht om via deze technologie nieuwe benaderingen van discussie, kennisdeling en manieren van werken te exploreren. Geregeld was het een reactie tegen de mainstreammedia, gecontroleerd door overheden of commerciële mediagroepen en werd het internet aangegrepen om terug een eigen stem te ontwikkelen in het publieke debat. Het internet is niet toevallig de bekendste tool voor alternatieve verslaggeving. Het heeft het proces van 'onafhankelijk' publiceren een stuk gemakkelijker gemaakt, mede doordat de productie van inhoud via de computer en met behulp van opensourcesoftware (computerprogrammatuur waarvan de broncode in te kijken en te veranderen is) relatief goedkoop blijft. Dat is ook een belangrijke drijfveer van de zogenaamde grassroots of burgerjournalistiekbeweging, waarbij de burger het heft in handen neemt en deelneemt aan het mediadebat en de informatietoelevering. Binnen het Vlaamse medialandschap heeft die burgerjournalistiekbeweging zich vertaald in een aantal georganiseerde initiatieven, zoals Indymedia (een internationale organisatie met vertakkingen in Vlaanderen), al blijven het witte raven. De woordvoerders van Indymedia spelen een belangrijke rol in het beter bekend maken van de Do It Yourself (DIY) - medianetwerken. In 2000 publiceerden ze het boek Media-activisme. Don't hate the media, be the media (Soete, Custers, De Bondt, 2000)3 een toegankelijke handleiding voor een alternatieve mediaverslaggeving via internet, video of audio. Meestal zijn het echter individuen die publiceren op het net. Het ontstaan van allerlei onlinetools zoals blogs en sociale netwerksites (dikwijls verzameld onder de term web2.0), heeft daar in belangrijke mate toe bijgedragen. We delen massaal informatie via een post op een blog of een zelfgemaakt filmpje op YouTube. Deze inhouden functioneren vooral als sociale objecten. Er heeft zich immers een verschuiving voorgedaan van de eerste webgeneratie, waar de klemtoon lag op de distributie van informatie tussen een netwerk van computers, naar het web 2.0, waar de distributie van informatie gebeurt tussen een netwerk van mensen (Zijlstra, 2007). Door het groeiende aantal bloggers en 'deelnemers' aan sociale netwerksites klinkt de slagzin 'We are the media' luider dan ooit. De vraag is echter in welke mate het werkelijk de burgers zijn die het mediadiscours bepalen. De platformen via dewelke ze dagelijks publiceren, zijn, net zoals in het klassieke massamedialandschap, vaak eigendom van giganten zoals Google. Nieuwe mediatechnologieen bieden mogelijkheden tot meer 'gedistribueerde' (in contrast met 'gecentraliseerde') creativiteit, tot meer participatie en zelforganisatie en tot de ontwikkeling van een 'tegenstem', verschillend van de stem van de overheid en de massamedia. Dat leidt echter niet noodzakelijk en automatisch tot democratie en een 'publieke sfeer 2.0' (De Waal, 2007). Even vaak werkt de inspraak van de burger eerder bevestigend voor het heersende mediadiscours. Los van het vraagstuk of deze media nu werkelijk kritisch of communicatief zijn, speelt de esthetiek van hun boodschappen een belangrijke rol. De artikels zijn vaak persoonlijker geschreven dan in de mainstreammedia, de foto's vaak meer amateuristisch en korrelig. Ze dragen de esthetiek van het moment. Dit is een, niet altijd even bewuste, reactie tegen de productiemethoden van de professionele media. Ze worden massaal geconsumeerd als de media voor en door onszelf, als 'buitenmediale' media (Gunthert, 15/06/07) (Mulder, 2004). Naast de initiatieven van de mediaorganisatie en het individu, werken uiteraard de experimenten van de kunstenaar met media en het buitenmediale, vitaliserend voor een kritisch mediadiscours. Ook de DIY-filosofie speelt binnen de kunsten een belangrijke rol. Culturele praktijken zijn er geregeld op gericht de 'feitelijke' gebruiken van allerlei (consumenten)technologie, zowel hard-als software, om te buigen naar 'eigen' gebruiken (Ramocki, 2007). Technologieen, burgers, journalisten en kunstenaars zijn altijd een schakel in een bredere media-ecologie4 of 'mash-up netwerk', zoals Tapio Makela5 het noemt, waarbij media in relatie tot uiteenlopende actoren (zoals bedrijven, overheid, kunstenaars, ingenieurs...) en materialen (netwerkkabel, zender, gps...) bekeken worden. Het Brusselse collectief OKNO neemt deze media-ecologie als vertrekpunt van hun artistieke werking. OKNO is een 'koepelorganisatie die research- en creatieplatformen uitwerkt voor kunstenaars, support geeft bij de productie en die het werk programmeert van de eigen OKNO-leden, maar vooral ook van andere kunstenaars.' (gesprek met Annemie Maes, 29.12.07). OKNO verzamelt een reeks kunstenaarsorganisaties die allen actief bezig zijn met technologie in de brede zin van het woord. Hun activiteiten rond radio bijvoorbeeld, illustreren hoe zij de grenzen van media voortdurend aftasten en rekken. Radio is een interessante case omdat het een spanningsveld presenteert tussen zijn gevoeligheid voor machtsovername en zijn mogelijkheden tot decentrale communicatie. Radio heeft Hitler mee gecreeerd. Tegelijk behoorde radio toe aan de amateur en de DIY-technieker en was het een belangrijk instrument voor sociale bewegingen in de jaren zestig. Dit voorbeeld illustreert hoe media altijd functioneren binnen een bredere ecologie. OKNO exploreert de mogelijkheden van radio voor decentrale communicatie. Hun networked performances en experimenten met golven, laten ons toe radio voor te stellen als een netwerk van knooppunten waar golven vanuit elk punt kunnen worden opgepikt en omgezet naar media-inhoud (Medosch, 2005) (Mulder, 2004). Wat vooral centraal staat in de werking van de groep is niet de radiotechnologie op zich, maar het 'netwerkconcept'. De organisatie creëert letterlijk netwerken door op verschillende plekken 'nodes' en knooppunten neer te zetten en ze ook fysiek in elkaar te knutselen. Hun netwerkplatform is in de eerste plaats een artistieke toon- en onderzoeksplek die, deels dankzij de technologie, de begrenzing van de muren van musea of galerieën en geografische grenzen overschrijdt. In de tweede plaats stelt OKNO de netwerken open voor het brede publiek. Iedereen die wenst kan er deel van uitmaken. De betrokken kunstenaars organiseren workshops of plaatsen handleidingen online die mensen begeleiden in het opzetten van een eigen knooppunt. In nauwe samenwerking met het initiatief Reseau Citoyen6, een door gebruikers georganiseerd draadloos netwerk, bouwen ze mee aan alternatieve en meer democratische netwerken. De kunstenaars begeven zich dus volop in het dagelijkse leven van de stad, het dorp en de suburbia, zonder evenwel afstand te doen van de artistieke rol die hen toelaat een alternatieve blik te werpen op wat er met media mogelijk is.
GROW YOUR OWN WORLDS
De experimenten van OKNO illustreren dat niet enkel internettechnologie zich leent tot decentraal en gepersonaliseerd gebruik. Het fenomeen van de ubiquitous computing brengt een mentale verschuiving teweeg van een manipulatie van media en technologie naar een manipulatie van 'dingen'. Kleding, consumentenelektronica of voedsel kunnen, mits een gezonde interesse in technologieen binnen de dagelijkse context, op een alternatieve manier gehanteerd en in een netwerk ontwikkeld worden. Dat vinden we terug bij het collectief FoAM, dat reeds jaren onderzoek voert naar de wisselwerking tussen kunst, wetenschap, technologie en de dagelijkse omgeving. FoAM onstond in 1999/2000 uit de culturele afdeling van Starlab, een wetenschappelijk onderzoeksinstituut in Brussel. In 2001 vormden Maja Kuzmanovic, Nik Gaffney en Lina Kusaite, FoAM om tot een onafhankelijke vzw die zich al snel ontpopte tot een internationaal netwerk. Zij vinden dat de kunstwereld te veel beweegt in eigen gesloten kringen en het potentieel van het dagelijkse leven onderschat. Hun interesse voor nieuwe technologieen heeft dan ook in belangrijke mate te maken met het feit dat die deel uitmaken van het leven van elke dag. De onderwerpen die ze behandelen, hebben op iedereen betrekking: kleding, materialen, ecologie of voeding. De 'food'-gebeurtenissen van FoAM werden aanvankelijk opgezet met het doel de discussie tussen mensen uit uiteenlopende disciplines en domeinen los te weken door samen te eten, een taal die iedereen deelt. FoAM vindt het interdisciplinair werken noodzakelijk (zij noemen zichzelf generalisten) omdat het maken van projecten in en over het dagelijkse leven te veel componenten in zich draagt om ze monodisciplinair te benaderen. Na verloop van tijd werd het eten op zich een onderwerp van hun projectwerking. In eten zitten immers veel ethische, sociale en culturele vraagstukken vervat. Onder de noemer Luminous Green richtten ze ook een breder discussieplatform op rond ecologische vraagstukken in relatie tot de technologische ontwikkeling van de samenleving. Technologie wordt nooit op een louter utopische of pessimistische wijze bekeken. Integendeel, de groep probeert technologie op een 'andere' manier in te zetten om zo onze blik te wijzigen. Ze creëren alternatieve voeding, kledij of materialen. Ze stimuleren mensen om zelf hun omgeving vorm te geven. Onder het motto Grow your own worlds functioneren ze als advies- en werkplatform voor iedereen die op een andere, meer ecologische en duurzame manier wil gaan ontwerpen, onderzoeken of produceren. De DIY-filosofie en de democratiserende werking ervan is, net zoals bij OKNO, een belangrijk agendapunt.
DOE HET, ELKE DAG, ZELF
Kunstenaars spelen een belangrijke rol in het aanwakkeren van het debat over de aanwezige technologische netwerken in onze dagelijkse omgeving. In de gedistribueerde en participatieve cultuur die zich mee ontwikkelde met de informatiesamenleving, is het misschien ook niet onlogisch dat de kunstenaar samen met de gemeenschap de ruimte 'schrijft'. De complexiteit van dergelijke technologische vraagstukken vraagt om samenwerking met andere domeinen en disciplines. Toch blijft de vrije experimenteerruimte van de kunsten van onmiskenbaar belang voor de rol van de kunstenaar binnen de bredere media-ecologie die technologie, gebruikers, ontwikkelaars en media-inhouden met elkaar verbindt (Zielinski, 2006). Deze ruimte laat immers een frisse blik toe op de mogelijkheden om elke dag zelf creatief onze (technologische) omgeving vorm te geven.
Noten
1 http://www.portapak.be/ http://www.hereisthere.org/
2 http://www.louisdecordier.com/felt.htm, 2003, geconsulteerd 26.12.07
3 http://www.indymedia.be/
4 http://www.media-ecology.org/mecology/ http://www.media-ecology.org/publications/proceedings/v1/levinson01.pdf
5 http://used.m-cult.org/ 6 http://www.reseaucitoyen.be/wiki/index.php/Welcome
Literatuur
DE CERTEAU, M. (1988) The Practice of Everyday Life. University of California Press, California.
GALLOWAY, A. (2004) Intimations of Everyday Life: Ubiquitous Computing and the City. Cultural Studies, Vol. 18, No. 2-3, pp. 384-408.
GUNTHERT, A. (2007) L'image parasite. Apres le journalisme citoyen. Available at: http://www.arhv.lhivic.org/index.php/2007/06/15/432-l-image-para.
JOSELIT,D. (2007) Feedback: Television against Democracy Feedback. The MIT Press, Cambridge.
MEDOSCH, A. (2005) WAVES. [Context of the Exhibit]. Available at: http://rixc.lv/06/en/txt02.html
MULDER, A. (2004) Over Mediatheorie. V2_/NAi Uitgevers, Rotterdam.
PAUL, C. (2003) Digital Art. Thames & Hudson, London.
RAMOCKI, M. (2007) DIY: The Militant Embrace of Technology. Available at: http://ramocki.net/ramocki-diy.pdf
SOETE, H., CUSTERS, R. & DE BONDT, B., (2004) Media-Activisme / Don't hate the media, Be the media.. EPO, Berchem.
