Interactie als tegengif tegen het neokoloniale vooroordeel?
Jos Van den Bergh (MuHKA) en Thibaut Verhoeven (S.M.A.K.)
Tijdens onze reis naar Sao Paulo, Buenos Aires en Lima (2009) bestond de groep uit een twintigtal curatoren en critici uit Togo, Nigeria, Noorwegen, Indonesië, China, Nederland en België en kon je duidelijk spreken van een bont gezelschap. Om eerlijk te zijn leefde bij ons aanvankelijk enige reserve over de werkbaarheid. Drie verschillende landen, een dertigtal instituten, musea en werkplaatsen (met elk een specifieke context) bezoeken in 12 dagen tijd? En dan ook nog met zo'n divers gezelschap? Toch is het wellicht door die mix van nationaliteiten dat deze oriëntatiereis vanaf dag één geslaagd was. In de vele momenten dat we ons verplaatsten van het ene instituut naar het andere museum, dienden te wachten op een nachtelijke vlucht naar de andere kant van het continent, ontstond er een fascinerende cohesie. Los van de context die vanzelfsprekend intrigeerde, waren er de vele gesprekken die erg specifieke situaties aan het licht brachten. Gek genoeg zelfs tussen de Belgische deelnemers onderling. Zelf hadden wij elkaar als collega's voor deze reis nog nooit gehoord of gezien. Het is een vreemde constatering om te moeten vaststellen dat je daar een locatie aan de andere kant van de wereld voor nodig hebt. Ook herinneren we ons vele gesprekken over hoe je een tentoonstelling op poten zet in Indonesië, waarom een woord als 'publieksparticipatie' belachelijk klinkt in Togo, of hoe je aan geld geraakt in een wildkapitalistische omgeving als China. Maar nog belangrijker zijn de interne contacten die werden gelegd en een verder leven zullen leiden. Concrete voorbeelden zijn er nog niet, maar toch werden veel meer dan gewoon maar lijntjes uitgegooid. De interne cohesie was wat ons betreft daarom al één geslaagd aspect van deze oriëntatie- en studiereis. Maar er was natuurlijk meer.
Hoewel de Mondriaan Stichting en het Prins Claus Fonds hadden gezorgd voor een ronduit schitterende praktische begeleiding en een degelijke, ladingdekkende keuze van te bezoeken instellingen, waren het toch voornamelijk deze 'instellingen' die de hoofdmoot uitmaakten van het programma van de oriëntatiereis. En misschien was het net daarom dat de daadwerkelijke internationale uitwisseling een klein beetje naar de achtergrond verdrongen werd? De institutionele focus van het reisprogramma, samen met de intensiteit van het programma zelf (soms hadden we maar een half uur bezoektijd per instelling), zorgde er immers voor dat er praktisch gezien qua tijdsindeling vrij weinig ruimte was voor inhoudelijke uitwisseling. Deze institutionele nadruk in het programma zorgde er tevens voor dat er tijdens de reis zeer weinig kunstenaars te zien of te spreken waren, zowel via studiobezoek als door middel van een tentoonstelling. Uiteraard is een degelijke presentatie van de verschillende culturele instellingen in de regio zeer positief - én onontbeerlijk - voor de 'mental mapping' van diezelfde regio door de reizende curatoren. En de selectie van instellingen die door de Mondriaan Stichting en het Prins Claus Fonds aangeboden werden, brachten de institutionele culturele diversiteit van die regio's perfect genuanceerd in kaart. En dit zowel qua medium (naast de reguliere musea, bezochten we immers ook socioculturele centra, residentieprogramma's, filmmusea en zelfs comicbibliotheken), als qua cultuurbeleid (de directeuren en programmatoren van de verschillende instellingen lieten ons immers genereus in hun beleidskaarten kijken).
Anderzijds kan je je ook de vraag stellen of een groep reizende internationale curatoren in de eerste plaats niet meer geïnteresseerd zijn in kunstenaars en de artistieke (al dan niet underground-) scènes waarin ze circuleren? Het is immers een ongeschreven regel in internationaal kunstenland dat instellingen ten opzichte van kunstpresentatie steeds een stap 'te laat' zijn... Vandaar dat het in de toekomst misschien een optie zou kunnen zijn om voordien aan de participanten een genuanceerde selectie van kunstenaarsdossiers aan te bieden, waaruit een programma van studiobezoeken zou kunnen gedistilleerd worden. Dit in combinatie met de reeds aanwezige accurate selectie aan lokale culturele instellingen, zou in dit geval misschien wat meer nuance kunnen brengen.
De eigenlijke internationale uitwisselingsmomenten tussen de groep reizende internationale curatoren en de lokale kunstenaarsscène kregen wel de gelegenheid op de drie symposia die in de respectievelijke steden georganiseerd werden. Naast de ook hier weer ronduit spic-and-span perfecte logistieke en praktische organisatie, leende het inhoudelijke format van deze symposia zich helaas ook niet optimaal voor een degelijke uitwisseling. Althans toch niet op de symposia in Sao Paulo en Buenos Aires. De sprekers dienden zich te focussen op het thema van 'Transnational Curating', maar wegens het ex-cathedra-achtige lezingenformat van beide symposia kwam het ook hier iets te weinig tot concrete interactie. Deze observatie werd trouwens ook gedeeld door een aantal lokale kunstenaars en culturele actoren uit Sao Paulo en Buenos Aires, die zich in hun culturele scène door onze internationale delegatie wat te veel gepenetreerd voelden, net omwille van de te beperkte gelegenheid tot interactie. Wat niet wilde zeggen dat er geen interessante statements en opinies te rapen vielen over 'Transnational Curating', wel integendeel. Rond uitspraken als "Transnational curating is engaged curating your own culture" van Bissi Silva of "In the end, all art is a local idea" van Meta Knol, zou men op zichzelf al een avondvullend interactief debat kunnen organiseren.
Het symposium in Lima daarentegen, vormde op het vlak van internationale interactie een schitterende uitzondering. De sprekers waren voornamelijk Peruaanse culturele producenten, en tijdens en nadien was er ruimschoots gelegenheid tot debat, misschien wegens de informele setting van het symposium (gezeten in een zitzak discussieert nog altijd makkelijker dan vanuit een oncomfortabele auditoriumstoel).
Tot slot toch nog even de volgende bedenking: het is niet omdat de internationale interactie op deze oriëntatiereis soms wat naar de achtergrond verschoof, dat zulke reizen daarom als neokoloniaal of westers imperialistisch gedefinieerd dienen te worden. Wel integendeel. De gesprekken met de diverse lokale culturele actoren gaven in ieder geval alles behalve blijk van een calimerogevoel van diezelfde actoren ten opzichte van de net neergestreken 'flock' internationale curatoren.
