artikel
Het overheidsbeleid ten overstaan van de private kunstinitiatieven omvat twee grote onderdelen, enerzijds de regelgeving allerhande, anderzijds alle vormen van directe of indirecte steun aan de privéverzamelingen. Als algemene vertrekbasis stellen we dat de privéverzamelingen op geen enkele manier financieel, logistiek of inhoudelijk gesteund worden door de overheid zonder evenwaardige tegenprestatie.
De regulering
Op vlak van de (de)regulering kan de overheid wel een belangrijke invloed uitoefenen op privéverzamelaars en nog meer op de kunstmarkt (galeries, veilingen, kunstbeurzen, logistieke bedrijven, grafische bureaus, uitgeverijen enz.). Vooral deze laatste sector zou meer aandacht mogen krijgen. Ze is een economische sector die net als andere sectoren een zorgzame aandacht van de overheid verdient. Meer zelfs, de economische kunstensector (lees: de galeries enz.) vertegenwoordigt tevens een belangrijk cultureel kapitaal: ze begeleiden en documenteren kunstenaars, informeren het publiek, bewerken internationale uitstraling. De sector is meer gebaat met internationaal concurrentiële regels (b.v. btw op kunst) dan met directe overheidssteun. Deze materies overstijgen het cultuurbeleid.
Directe samenwerkingsvormen
Het is niet de taak van de overheid om een privéverzamelaar financieel, logistiek of inhoudelijk te ondersteunen. Er kunnen wel samenwerkingsverbanden ontstaan waar beide partijen voordeel bij hebben.
Enkele concrete voorbeelden:
- Verzamelaars en bedrijven kunnen instituten en hun museumvereniging sponsoren. In ruil nemen ze deel aan een aantal selecte kunstactiviteiten (etentjes, rondleidingen, atelierbezoeken, reizen, multiples, naamsvermelding, discrete publiciteit voor bedrijven). Dat is een internationaal aanvaarde praktijk. De grote instituten kunnen daar werk van maken, maar het is weinig realistisch voor de meerderheid van de kleine instellingen. Bijgevolg kunnen die daar niet mee worden belast. De mogelijkheden per regio zijn beperkt en er moet geen steriele concurrentie ontstaan op dat gebied.
Naast de financiële ondersteuning is er de uitwisseling van informatie en netwerken. Hierbij is de nodige omzichtigheid geboden (zie onder). De sponsoring mag nooit de inhoudelijke artistieke werking bepalen.
- Verzamelaars kunnen bruiklenen (en zeldzamer: legaten) afstaan aan musea. Of die voor één tentoonstelling, voor een korte of lange duur worden afgestaan lijkt me op zich minder belangrijk. Het museum kan zodoende zijn publiek aanvullende werken tonen. Wel dienen ze te allen tijde te beseffen dat bruiklenen naar hun eigenaar kunnen terugkeren. Ze vervangen nooit het aankoopbeleid. Langdurige bruiklenen behoren overwegend tot het terrein van de grote instituten.
Bij de ontvangst van bruiklenen dient een museum nauwkeurig te waken over zijn belangen. De verzamelaar heeft het voordeel van de veilige bewaring en verzekering, de permanente vertoning (eventueel prestige), de eventuele waardestijging door de grotere zichtbaarheid en kunsthistorische ontsluiting. In geval van een langdurige bruikleen kan de verzamelaar worden aangezet een deel van die kosten op zich te nemen, b.v. transport en verzekering.
Het museum dient zijn bruiklenen te filteren. Vormen ze werkelijk een kunsthistorische meerwaarde voor de collectie? Passen ze in het algemene verzamelbeleid? Heeft een deel van het publiek behoefte aan deze werken? Is er de nodige ruimte en logistiek voor beschikbaar en vormen ze een meerwaarde tegenover het deel van de vaste collectie dat niet wordt opgesteld? Welke bruiklenen verdienen prioriteit op andere? Speelt het museum niet ongewild mee in een omstreden combine van enkele verzamelaars en galeries?
- Het museum kan inhoudelijke en logistieke diensten leveren aan een privéverzamelaar indien er 1) al voldaan is aan de interne noden van het museum zelf ; 2) een redelijke vergoeding voor wordt betaald die de reële kostprijs van de geleverde diensten overstijgt.
We denken hierbij aan erg gespecialiseerde diensten zoals b.v. kunsthistorische ontsluiting, restaureren, bewaringsadvies enz. De eenvoudige logistieke diensten zoals transport, opslag, inlijsten, inventariseren dient een museum niet te leveren, want er zou gesubsidieerde concurrentie ontstaan met de privésector.
Waarschuwing
Onafhankelijk denkende curatoren hoeven nooit schroom te hebben voor informatie en bruiklenen van de private wereld. Het grootste gevaar ligt niet in samenwerking op zich, wel in de indruk van een langdurige eenzijdige samenwerking met een beperkt aantal partners. Dat kan zelfs een hypotheek leggen op andere private samenwerking, op de publiekswerking en de wetenschappelijke degelijkheid. Zolang de curator duidelijk beslist in functie van de inhoud, dan nog dient hij de indruk van clustervorming te vermijden. Een zich steeds uitbreidend internationaal netwerk met een grote openheid voor nieuwkomers is daar het antwoord op. Op geen enkel moment mag de indruk ontstaan dat een klein aantal galeries of verzamelaars een determinerende stem in het kapittel heeft. Groepen actieve verzamelaars kunnen de valse indruk wekken dat zij alleen de internationale verzamelaars vormen en de onderlinge affiniteiten opdringen. Ook hierop is internationalisering en voortdurende netwerkuitbreiding het antwoord, zodat er een veel breder gamma van privéspelers met het museum in aanraking komt. Beter een brede waaier van uitwisseling in plaats van enkele zeldzame onvermijdelijke contacten, die al snel een selectieve indruk kunnen wekken.
Filip Luyckx is directeur van Sint-Lukasgalerie te Brussel.
Het broze evenwicht tussen de publieke privéverzameling en het geprivatiseerde museum
Datum: 2009
