artikel
Kunst in de draaikolk van de globalisering
De keuze tussen een globaal provincialisme en een plaatselijke globalisering
Filip Luyckx
De beeldende kunst moet internationaal gaan. Daarover is de kunstwereld het opvallend roerend eens en weinige buitenstaanders spreken dat tegen. Anderzijds wemelt het in de Vlaamse kunstwereld en samenleving van de provincialistische trekjes die een plaatselijk denken niet overstijgen. Misschien moet het discours juist meer regionale componenten integreren en het dagelijks handelen daadwerkelijk internationaal worden om opnieuw met beide voeten op de grond te belanden.
Kunst is altijd in meerdere of mindere mate internationaal én regionaal geweest. Concepten, thema's en technieken waaiden over vanuit hun ontstaansplekken naar oorden waar mensen niet minder vindingrijk waren om aan deze ontwikkelingen hun eigen wending te geven. Dat gebeurde in het kielzog van de handelsstromen, veroveringen, de verbreiding van landbouwtechnieken en godsdiensten. Het is een hardnekkige mythe dat we in de voorbije duizenden jaren overwegend afgesloten culturen hadden. We hoeven er maar Jared Diamond op na te lezen om vast te stellen dat nieuwe graangewassen, huisdieren, werktuigen en allerhande waardesystemen intercontinentale sprongen maakten. De vervanging van de nomadische door de sedentaire levenswijze werkte het regionale bewustzijn in de hand. Het valt als een rode draad op in de geschiedenis dat vooruitgang vaak gepaard gaat met een vergroot regionaal bewustzijn. Samenbrengen en weer uit elkaar halen zijn terugkerende processen in de wereldgeschiedenis. Voortdurend botsen we op die paradox tussen het slopen van oude beperkingen en het tegelijk instellen van nieuwe vormen van afsluiting. De opkomst van het feodalisme met zijn standen en later van de steden met hun gilden bevorderden de verbreiding van particuliere belangen. Het uiteenvallen van de universele Kerk in de zestiende eeuw deelde Europa confessioneel op in vijandige kampen, die het Latijn vervingen door de volkstaal. In de plaats van de internationaal vertakte vorstenhuizen traden vanaf de negentiende eeuw sterk nationalistische staten naar voren met een netwerk van douaniers aan hun grenzen. De Koude Oorlog zorgde voor een mondiale tweedeling met een Ijzeren Gordijn. Het verbrokkelen van de koloniale rijken en de val van het Oostblok leidden tot een lappendeken van nieuwe staten. De Europese integratie werkt heden ten dage paradoxaal genoeg de strikte grenscontroles en visumbeperkingen in de hand. Tegenover de internationalisering staat de toenemende fragmentering van alles. Het internet bevordert het welig tieren van subculturen. Tegenover de globale onzekerheid voelen veel mensen de nood aan lokale zekerheden. Weliswaar reisden er een eeuw geleden relatief minder mensen voor hun vrije tijd maar de elite die reisde nam wel de beslissingen die door de samenleving werden gedragen en nageleefd. Bovendien is reizen maar één manier van cultuurspreiding. Een bibliotheek reikt een rijker geschakeerde informatiebron aan dan zappen langs een reeks eendere televisiestations of een pakket kant-en-klare reizen. De ontzagwekkende hoeveelheid aan hapklare informatie werkt de oppervlakkigheid en de monomanie in de hand. Globale godsdiensten en politieke ideologieën verbonden meer mensen in de diepte dan eilanden van New Age cultuur. Lokale netwerken kunnen een bredere waaier van sociale en professionele differentiatie insluiten dan een hypergespecialiseerd internationaal netwerk. De historische evolutie gaat niet noodzakelijk steeds de richting van alsmaar meer internationale verbondenheid uit.
De fenomenale globalisering van rond de eeuwwisseling vloeit hoofdzakelijk voort uit een viertal basiskenmerken. Vooreerst is er de razendsnelle ontwikkeling van het internet, gepaard gaand met de verbetering van het personen- en goederenverkeer en de toenemende kennis van het Engels. Daarnaast is er het overheersende neoliberale ideeëngoed. De openstelling van China, het Oostblok en India voor de wereldeconomie, de voortschrijdende Europese eenmaking en de deregulering in tal van andere landen zorgen ervoor dat er in de meeste exportsectoren sprake is van een mondiale mededinging. Deze beweging omvat evenzeer de producten van de dienstverlening en last but not least de cultuurindustrie zoals muziek, film, videospelletjes, software enz... Met de goederenstromen zijn er migratiestromen gemoeid, zodat tal van wereldsteden een diversiteit aan subculturen omvatten. Ten derde adviseren de wetenschappen in toenemende mate de beleidsmensen in plaats van ideologie. De wetenschappen vormen een potentiële bedreiging voor tal van lokale mythen en traditionele vooroordelen. Al is dat nog verre van een universeel feit, de invloed van de wetenschappen op de beleidsmensen en ondernemingen is voelbaar. Dat werkt consensus in de hand. Ten vierde leeft de hele wereld met een aantal dreigingen die we alleen samen kunnen oplossen. We noemen de broze financiële systemen, de massavernietigingswapens, het internationale terrorisme, de energie- en grondstoffenbevoorrading, en ten slotte de ecologische problemen zoals de klimaatverandering.
Uit bovenstaande fenomenen valt er voor de kunstwereld veel te leren. Het internetgebruik biedt het voordeel dat alle spelers op het veld snel over internationale informatie beschikken en er zichzelf kunnen aanprijzen. De goedkopere reismogelijkheden en talrijke residentieprogramma's breken de wereld open voor de gegadigden. Dat zou in principe de kunst moeten democratiseren en de betekenis van exclusieve cenakels ondermijnen. Dat blijkt echter maar ten dele waar, want de intercontinentale schaalvergroting leidt tot een grotere onoverzichtelijkheid en onbereikbaarheid van de netwerken. Wie over de budgetten en tijd beschikt om ongeveer permanent te reizen en te informeren is ontegensprekelijk in het voordeel. De schaalvergroting aan instituten vergroot niet het aantal van hen met mondiale zichtbaarheid. Aandacht, tijd en energie van de globale beslissers zijn nu eenmaal beperkt en er ontstaat een ware aandachtsindustrie die strijdt om gezien te worden. Zowel nationale en Europese als globale aandacht zijn alsmaar moeilijker te verdienen en alsmaar van kortere duur. Critici en curatoren zonder ruggesteun van een sterk instituut kunnen hun talenten maar moeizaam verzilveren. Hetzelfde geldt voor kunstenaars zonder ruggesteun van een globale galerie. Die laatste kunnen het ook niet meer rooien met de lokale aandacht alleen. De toegang tot de mainstream kunstbeurzen is selectief en het prijskaartje niet mals. Inzichtelijke verzamelaars ondervinden de concurrentie van wereldwijde beleggers die niet om het uitbrengen van een mega - aanbod verlegen zitten. Russische, Chinese, Indische en Arabische verzamelaars proeven met volle teugen van de kunstmarkt en hanteren daarbij hun eigen normen. Waar de kunstwereld zich voor 1992 beperkte tot West-Europa, Amerika, Japan en Australië, beslaat ze nu zowat alle wereldmetropolen. Het neoliberalisme laat zich ook gelden in de kunstwereld. De invloed van grote verzamelaars, galeries en privé-musea groeit, het belang van de gewone kunstliefhebber bij de receptie neemt af. Vanuit internationaal perspectief gezien hanteert de kunstwereld haar eigen wetmatigheden die grotendeels aan de lokale opiniemakers ontsnappen. Niet dat we in één overkoepelende complottheorie geloven, maar relatief weinig verzamelaars, curatoren en galeries kunnen relatief veel invloed uitoefenen. Dat kan een hypotheek leggen op de publiekswerking en het kritisch discours wanneer de inbreng van de publieke mening verwaarloosbaar wordt. Publiekswerking houdt meer in dan een doorgeefluik te zijn voor de opinies van een globale kunstelite. Doorgaans is er veel institutionele kunstkritiek te horen op de maatschappij als geheel maar bitter weinig ruimte voor kritiek op de kunstinstituten zelf (musea, galeries, tijdschriften) of op de gepresenteerde kunstwerken. Nochtans begint een kritische attitude bij de bron. Een kunstwerk dat maatschappelijke kritiek uitbrengt moet op zijn beurt nog vatbaar blijven voor publieke kritiek. Kunst zou een vrijruimte kunnen zijn voor uitwisseling van ideeën en een leerschool voor maatschappelijk denken. Een artificiële consensus over actuele kunst leidt tot verschraling en dient vaak als alibi om een reeks belangen van beleggers en andere veldactoren te vrijwaren. Een subsidiërende overheid moet een breder debat voor ogen houden waar een zo breed mogelijk publiek van geïnteresseerden kan aan deelnemen. Internationalisering kan zowel leiden tot een regenboog van kunstbenaderingen als tot een vernauwend internationaal denken dat door een mondiale kunstelite wordt voorgeschreven. Dat laatste denkbeeld is meer een hersenschim - een misplaatste wensdroom van sommigen of een paranoïde nachtmerrie van velen - dan een duurzame realiteit. Mondiale consensus is een resultante van een perceptievernauwing met daaraan gekoppelde strategieën en investeringen. Op de langere termijn is ze gedoemd te mislukken omdat de kunst juist door de mondialisering steeds meer vermenging aangaat met andere culturen, subculturen en maatschappelijke terreinen.
Hangt de mondiale mededinging als een zwaard van Damocles boven zoveel kunstenaarshoofden? Ook hier is het antwoord niet eenduidig. Elke kunstenaar kan weliswaar wereldwijd tegenover alle andere kunstenaars worden afgewogen. De kunstmarkt wordt een eenheidsmarkt. Alle curatoren, tijdschriften en galeries richten zich naar een aantal exclusieve instituten en evenementen. Ook hier speelt meer de perceptie dan de realiteit. De spelers in het veld kunnen zich precies profileren met eigenzinnige posities boven het achterna hollen van alom erkende waarden. Het is niet noodzakelijk de grootste gemene kunstdeler die de aandacht trekt van buitenlands publiek, want dat is alleen maar meer van hetzelfde. De buitenlandse interesse gaat vaak uit naar wat bijzonder is voor het thema, de regio en het individu. Het komt erop aan zulke unieke voorstellen te internationaliseren. Internationalisering in de kunst hoeft niet te betekenen dat alle belangrijke beslissingen elders worden genomen en het lokale initiatiefrecht uit handen wordt gegeven. Instituten en kunstenaars moeten precies hun unieke ideeën, werkwijzen en dynamiek internationaal laten gelden in plaats van ze prijs te geven voor een grijze uniformiteit. Internationale hoogtepunten komen niet zomaar tot stand. Kunstenaars, curatoren en galeries leggen een hele weg af van lokaal over regionaal tot internationaal. De prille leerprocessen, bemoedigingen en ontdekkingen spelen zich in eerste instantie af op een lokaal niveau.
Op lokaal kunstniveau tekent zich in West-Europa een belangrijke evolutie af. Traditioneel wordt het lokale een aantal kenmerken toegedicht die er alsmaar minder op toepasbaar zijn. Vooreerst vertoont het lokale voortaan de inbreng van meerdere allochtone gemeenschappen, terwijl de autochtone kunstenaar evenzeer belangstelling vertoont voor de wereldcultuur. Verder wordt de lokale lunst evenzeer getekend door de nieuwe media en de postmoderne denkwijzen als de kosmopolitische scène. Het potentieel voor kunst ligt overal voor het rapen, tot de meest eenvoudige zaken in het dagelijks leven op vergeten plekken. De hele wereld biedt atelierruimte voor de kunstenaar en denker. De meeste creatie vertrekt vanuit een lokaal gegeven. Internationale kunstenaars worden door tentoonstellingsmakers aangemoedigd rond lokale thema's te werken. Wie in eigen land wegvlucht uit de marges van het lokale belandt er elders middenin. Het zijn vooral de presentatie, netwerking en promotie die nood hebben aan grootschalige concentratiepunten onder de vorm van biënnales, kunstbeurzen en wereldsteden. Een lokale kunstenaar is niet meer noodzakelijk een autochtone kunstenaar die daar school liep en er levenslang zijn carrière uitbouwt. Elke scène bestaat uit een kunstenaarsgemeenschap die van elders komt en vaak na verloop van tijd weer weggaat. Een bijdetijds kunstenbeleid dient met die realiteit rekening te houden. Tal van autochtone kunstenaars integreren zich in compleet andere culturen, terwijl er bij ons een aanzienlijke schare van buitenlandse kunstenaars opduikt. Beide zijden van de medaille verdienen aandacht en overheidssteun. Kunstenaars hebben nood aan maatschappelijke onthechting en andere horizonten, niet aan de vlucht uit het lokale op zich. Ten slotte drijft de lokale kunstenaar steeds verder af van het ambacht en de volkskunst, terwijl precies mondiale kunstenaars er vaak elementen uit verwerken. Bij kunst uit de nieuwe industrielanden staat het gebruik van exotische elementen positief aangeschreven. De categorieën lokaal en internationaal verliezen aan eenduidigheid. Het is meer relevant onderscheid te maken tussen kwaliteit - en carrièreniveaus van kunstenaars dan het hanteren van de dubbelzinnige terminologie lokaal en internationaal. De renommee van zelfs internationale kunstactoren is sterk onderhevig aan lokale variaties.
Voor kunstenaars is nog een grote toekomst weggelegd in de culturele verscheidenheid van de wereld. In hun specifieke aanpak zullen die kunstwerken toch een universele dimensie moeten bevatten om daadwerkelijk boven het regionale niveau uit te stijgen. De relevante kunst zal vooral voortkomen uit een dialoog tussen verschillende cultuurelementen en tussen traditie en moderniteit. Anderzijds voeren de wetenschappen en de universele dreigingen de kunstenaars tot een werkelijk gemeenschappelijk terrein, al zal ook hier eenieder vertrekken vanuit zijn concrete situatie op de aardbol. Qua wetenschappelijke kennis kan de kunstenaar zich nauwelijks meten met wetenschappers, maar in het zoeken naar oplossingen voor wereldproblemen kan hij wel een belangrijke bijdrage leveren. Hier beweegt hij zich immers op het terrein van de politiek, de moraal en het dagelijks leven.
Wat is de rol van een regionale kunstpolitiek in de internationale context? De overheid moet er zich van bewust zijn dat de kunstensector een belangrijke meerwaarde betekent voor de Vlaamse uitstraling, intellectualiteit en economie. Het is een activiteit op een hoog ontwikkelingsniveau, vergelijkbaar met de kenniseconomie. Tegelijk bezitten Vlaanderen en België een merkwaardige eigenheid in de beeldende kunst die internationaal sterk wordt gewaardeerd. Vlaamse kunstenaars (lees bij uitbreiding curatoren, critici en galeries) slagen er gemakkelijk in onze eigenheid een universele ingang te doen vinden. Daarbij werden ze in het verleden vaak met mondjesmaat gesteund en moesten ze hun positie vooral op eigen kracht veroveren. Nog meer anderen zitten in de internationale wachtkamer, vertonen een interessant potentieel maar zijn minder slagvaardig of kapitaalkrachtig om de internationalisering alleen aan te kunnen. Mijns inziens valt er veel mee te halen uit het lokale potentieel indien er bewust door overheid, kunstinstellingen en privé-partners een internationaal kunstenbeleid wordt gevoerd op alle terreinen. De notie van het internationale is iets dat alle erkende kunstinstellingen in het achterhoofd moeten houden.
Het internationale begint bij het lokale. De buitenlandse bezoeker en tentoonstellende kunstenaar verwachten dat hier in de eerste plaats alles optimaal functioneert. Professioneel werken op alle terreinen is de boodschap. Voldoende financiële middelen voor de erkende kunstinstellingen is daar het logisch gevolg van. De architectuur van de museumruimte moet aantrekkelijk ogen, de technische omkadering vakbekwaam en voldoende uitgerust zijn, de publiekswerking voldoende bereik vertonen, de catalogus er gedegen uitzien. Kwaliteit schuilt in de details. In het buitenland verwacht men dat de reizende Vlaming zijn lokale scène kent. Er is geen tegenspraak tussen een degelijke lokale werking en een internationale receptie. Alles soorten kunstenaars en bezoekers wensen dat de kunstinstellingen naar behoren functioneren. Een geoliede lokale onderbouw werpt vruchten af op termijn en weegt veel zwaarder dan oogverblindende evenementen. Het samenvallen van het lokale en het internationale vergroot het publieke draagvlak voor het kunstenbeleid. Elk kunstenbeleid vanaf een zeker niveau zou beide moeten integreren. Louter lokaal werken onthoudt kunstenaars en publiek mogelijkheden tot doorgroei en informatie. Anderzijds zou elk groot instituut permanent oog moeten hebben voor zowel jonge en miskende talenten en daarbij risico's durven nemen. Een kunstwerking kan niet buiten het lokale voor zijn financiering, publiekswerking en medewerkers. Er moet worden samengewerkt met plaatselijke besturen, pers en onderwijs. Tal van problemen worden lokaal opgelost. Instellingen kunnen maar internationaal opereren als ze daarvoor over voldoende werkingsmiddelen beschikken. Dat zal het draagvlak voor internationalisering in Vlaanderen vergroten in plaats van enkele eenzame instituten aan de top in stand te houden die met hun internationale visie telkens op het provincialisme bij de lokale basis botsen. Bijna overal ter wereld valt het publiek overwegend als lokaal te omschrijven. Bij gebrek aan vorming, tijd en middelen beschikken de meeste bezoekers over een beperkte visie op de hedendaagse kunst. We kunnen ze dat niet kwalijk nemen, het is precies een taak van de kunstinstellingen voor hen te werken. De belangstelling voor het nieuwe promoten is vaak een ondankbare taak, want het grote publiek en de media lopen mee met trends en wat succes heeft op het moment. Ze willen erbij horen en richten zich bij voorkeur op het reeds bekende boven het totaal nieuwe. Tal van kunstenaars kunnen een interessant internationaal palmares voorleggen, maar het lokale publiek vergaapt zich met vertraging aan de wereldtop en percipieert alleen die als internationaal. Maar ook het beter geïnformeerde deel van het publiek - verzamelaars en professionele kunsthistorici bijvoorbeeld - zijn niet noodzakelijk een dankbaar publiek. Vaak hebben ze de buitenlandse tentoonstellingen bij ons al elders gezien of maken ze erg eigenzinnige keuzes binnen het internationale aanbod. De tijd dat het museum het publiek paternalistisch aangeeft wat in de onzekere actualiteit belangrijk is, behoort definitief tot het verleden. Alle musea uit het hartland van West-Europa liggen binnen het bereik van de assertieve kunstliefhebber.
Een internationaal kunstenbeleid is geen verkapte subsidiëring aan een economische kunstensector, al zal zulk beleid de privé-sector onrechtstreeks een handje toesteken. Overheidsmiddelen hebben een publieke functie die dat van welbepaalde galeries en verzamelaars overstijgt. De overheid heeft logischerwijze vooral oog voor publiekswerking, conservatie en onderzoek in de kunsten. Anderzijds is een kunstenbeleid nooit bedoelt om de privé-initiatieven te bekampen of van volledig naast elkaar te werken. Indien deze laatste kunnen bijdragen tot de internationale uitstraling of de publiekswerking kunnen er samenwerkingsverbanden ontstaan, zoals op tal van andere maatschappelijke terreinen het geval is. De subsidiëring van jonge galeries bij deelname aan internationale kunstbeurzen zou daar een goed voorbeeld van kunnen zijn. De internationale informatie waarover verzamelaars en galeries beschikken, mag de kunstensector niet onverschillig laten.
Er zijn weinig echt globale plekken op de planeet met diepe wortels in een kosmopolitische cultuur. Bij oppervlakkige bezoeken aan een rits kunstinstellingen ontstaat een rooskleurig beeld, terwijl de lokale scène er net als bij ons veel kritiek op uit. Eenmaal de luchthaven uit wordt de reiziger gewaar dat ook daar overwegend de inheemse taal wordt gesproken en de inlandse gebruiken primeren. De meeste musea en galeries leggen lokale accenten. Alle instituten hebben hun specifieke voorgeschiedenis, financieringsvorm en het stempel van hun directeuren en legaten. Brussel speelt Magritte uit als troef, Hannover Kurt Schwitters, Liechtenstein de arte povera, Stockholm Alexander Calder. Dat is maar goed ook.
Permanent mondiale plekken zijn er weinig. (Wellicht bestaan ze sterker bij de historische kunst. De hierna volgende steden bieden een panorama aan van de kunstgeschiedenis dat vollediger is dan de talrijke hiaten in de musea van hedendaagse kunst. Er is uiteraard meer tijd tot verzamelen en inventariseren over heen gegaan.) Het zijn metropolen van grote westerse landen waar Engels, Frans, Duits of Spaans weerklinkt: Londen, New York, Chicago, Los Angeles, Parijs, Berlijn. Met wat goede wil voegen we er nog Zürich, Frankfurt, Wenen, Miami en Tokio aan toe. De economische en geografische positie van die metropolen verklaren alles. Naast de vaste stekken zijn er vooral de terugkerende evenementen op andere plekken: Art Basel en Miami, Arco Madrid, documenta, de Biënnales van Venetië, Sao Paulo, Istanbul, Sjanghai. Alle treden ze kortstondig op als het Mekka van de kunst. Daarnaast gedijt er in de marge van de toptien een schier oneindige reeks van kunstbeurzen, biënnales, megatentoonstellingen. Net als de traditionele kalender voor elke dag zijn naamheilige had, is er in de globale kunstkalender voor elke dag wel iets gepland. Dan hebben we het enkel over globale evenementen zoals die op E-Flux of in de grote kunsttijdschriften verschijnen. Het globale heeft zijn provinciale rand, terwijl het regionale zijn vuurbakens heeft.
Het heeft weinig zin het Vlaamse en Belgische potentieel te willen meten aan de bovenvermelde trekpleisters. De kloof kan niet zomaar worden gedicht met wat budgetverhogingen en voluntarisme. Alles heeft zijn voorgeschiedenis, geografische positie, economische macht en publieksbereik. Neem nu Art Brussels en de topbeurzen van de wereld. Al bezit Art Brussels vele troeven, doet ze het niet slecht en zelfs beter dan de meeste andere beurzen, ze kan zich niet meten aan Bazel, Londen, Miami, New York, Parijs. Vergelijk de grootte van de fortuinen, het fiscale regime, het publieke transport, de draagwijdte van de musea, het aantal galeries, de investeerders, de exclusieve entourage en het wordt meteen duidelijk dat Vlaanderen dat nooit zal hebben. Waarom zou een regio vergelijkbaar met een Duitse deelstaat of een Amerikaanse staat zich moeten meten met de megapolen? Wie verwacht er bij ons meer internationale galeries en tentoonstellingen dan in Parijs of Londen? We doen het al veel beter dan een Scandinavisch, Oost-Europees of een mediterraan land. We hebben een buitengewoon potentieel van kunstenaars, galeries en verzamelaars. We hebben ook voldoende instituten en evenementen. De grondstoffen en afzetmarkt zijn voorradig. Wat er vooral mankeert zijn de nodige middelen voor de dagelijkse werking van die instituten: hun architectuur, hun tentoonstellingsbeleid, hun technische omkadering, hun collectievorming. Ze kunnen nog veel meer ernst, openheid en professionalisering aan de dag leggen. Alles hangt niet alleen af van geld, maar toch staat of valt hun uitbouw er wel mee. Internationaliseren in de beeldende kunst betekent in de eerste plaats de instituten laten werken zoals in een welvarende Duitse deelstaat of Scandinavisch land.
(deze tekst is verschenen in Tijdschrift Sint-Lukasgalerie Brussel van september - oktober - november 2008)
