artikel
Niet-het-internationale-maar-het-globale en de beeldende kunst
Bart De Baere
In een traditioneel eerder lokaal en regionaal Vlaams cultuurbeleid, staat het internationale voor 'de andere', voor 'wat we in verhouding tot onze grenzen kunnen doen'. Importeren en exporteren maakt deel uit van een internationaal cultuurbeleid binnen zowat elke natiestaat. Dankzij import voelt het publiek zich in contact met de wereld, een multiculturalisme dat zich vaak laat inspireren door een snuifje vriendschapspolitiek. Doorheen export projecteert een natie zijn aanwezigheid. Representatiepolitiek geeft het zelfbeeld gestalte via cultuur. De British Council werkt bijvoorbeeld met voorkeurlanden op grond van een economische agenda. Prestigepolitiek gebruikt kwaliteit voor haar uitstraling. Getuige hiervan zijn Europalia of de Vlaamse culturele ambassadeurs van weleer. Utopisch of internationalistisch denkend lijkt het evident dat een land een stuk verantwoordelijkheid opneemt binnen een globale scène, en dus ook op cultureel vlak. Dan ruimen representativiteit of prestige baan voor een onzeker, soms zelfs labiel, altijd kwetsbaar en onvolkomen ontwikkelingsbeleid. Met strategische ambities in plaats van tactische, die inzetten op lange termijn, eerder dan effecten van het moment.
De werkelijkheid van de beeldende kunst is hoe dan ook eerder globaal georiënteerd. Documenta of Art Basel trekken een Europees of zelfs wereldwijd publiek aan. Vlaamse en Chinese kunstenaars zijn concurrenten, in New York maar ook in Vlaanderen. Organisatoren maken vandaag een biënnale in Azië en morgen een tentoonstelling in Italië. Kunstenaars schieten op korte tijd van een alternatieve scène meteen naar een dure galerie in Los Angeles, of van lokale faam naar het MoMA. In de sector hebben individuen overwicht op productiesystemen. Individuen kunnen sneller en dus flexibeler, beperkter maar zo ook heel krachtig opereren tegenover, naast en binnen de systemen van productie, presentatie en kunstmarkt.
Een aantal individuele kunstenaars, verzamelaars, curatoren en organisatoren die globaal opereren vormen de voornaamste troef van de Vlaamse scène, naast haar uitzonderlijk gunstige geografische ligging op wandelafstand van de oude Europese kunstgrootmachten, met de Europese hoofdstad Brussel als 'binnenbuitenland'. De instrumenten waarover ze beschikken presteren minder goed. Instellingen bereiken dit niveau enkel sporadisch, en dan vooral dankzij curatoren die er werken. Slechts weinig galeries werken ten gronde internationaal en geen van hen is globaal. Het discursieve - de reflectie en theorievorming - hinkt al helemaal achterop. Nochtans zijn al deze dimensies van belang om een actor een betere uitgangspositie te geven en die actoren willen, zullen en moeten wel degelijk World wide functioneren. Met name de omkadering moet, precies daarom, zoals trendwatchers, nieuwe relevante inzichten of technologieën onmiddellijk integreren. Een omkadering die vanuit deze inzet vertrekt, zou meer kunnen leren van zijn actoren dan nu het geval is en ze zou zeker meer voor hen kunnen betekenen.
1. Lokaal bewustzijn
Het laatste wat we nodig hebben is een beeldende kunstbeleid dat overal internationale effecten vraagt. Op zich is grensoverschrijding niet betekenisvol. Er zijn veel galeries in New York, ook veel onbelangrijke. Idem voor buitenlandse kunstenaars die hier mogen tentoonstellen. Beweging is dus geen goede indicator. Beleid moet zich afvragen hoe de lokale scène best kan uitgerust en ondersteund worden om zich zo goed mogelijk tot de globale werkelijkheid te verhouden.
Grensoverschrijding kan wel bijdragen tot een vervlechting van het lokale bewustzijn met een globale dimensie. Zowel tentoonstellingen van Indische kunstenaars in Vlaanderen als residenties van Vlamingen in Mexico dragen bij tot deze lokale doelstelling: het creëren van een globaal bewuste lokale scène. Ook lokale beleidsdoelstellingen - die in de praktijk vaak meer kaderen binnen culturele, economische of sociale intenties dan binnen een kunstenbeleid -, kunnen dan maar beter die globale horizon in rekening brengen. Hoe creëer je een specifieke culturele meerwaarde, die aan de representatie voorbij gaat? Ook het gesprek met galeriehouders over het economische potentieel van deze kunstensector gaat over markten en groeimarkten op alle continenten, meer dan over deze of gene beurs. En intussen volgen we op de openbare omroep de avonturen van onze kunstenaars voorbij onze horizon.
De vraag wordt hoe verschillende geledingen van de kunstscène kwalitatief aan dit globale bewustzijn zouden kunnen en moeten deelhebben en bijdragen. Het beste antwoord lijkt me: gradueel. Sommige presentatie-instellingen zijn globale ontwikkelaars die lokaal misschien zelfs amper waarneembaar zijn. Denk aan BAK in Utrecht voor of na de internationale zichtbaarheid met zijn grote projecten. Andere plaatsen stellen hun werking integraal in dit globale perspectief, zoals Extra City in Antwerpen. Ook organisaties die in hun dagelijkse bekommernis vertrekken vanuit de intensiteit en het articuleren van wat er op dat moment en die plaats gebeurt, kunnen af en toe blijk geven van een globaal bewustzijn of tegen die achterrond opereren. Dit getuigt van een scherpere en meer open visie dan het uitzaaien van gauw geleende werken van buitenlandse herkomst op pittoreske plekken doorheen het land. Ontwikkeling met volle inzet blijft het startpunt van alles. Al die gradaties zijn noodzakelijk, het onderscheid ertussen evenzeer.
2. Multiregionalisme
Laten we onze grenzen minstens nog een laag verder afpellen vooraleer we ze overschrijden. Wie zich door de tegenstelling Vlaanderen-België laat vangen vergeet dat de wereld groter is dan dat.
Via gedeelde geschiedenissen overlappen en doorkruisen onze gemeenschappen elkaar; zowel België als het huidige Vlaanderen en Wallonië, of het Brussels gewest dat even provinciaal dreigt te worden als Canberra, de vroegere graafschappen, met Brabant dat twee vorstenhuizen telt, of Luik als prinsbisdom. Er zijn de TGV-lijnen, de ABC-as Antwerpen-Brussel-Charleroi, de Benelux en de Bourgondische kreits, de katholieke link tussen het Zuiden van Nederland en België, de taalgemeenschappen met Duitsland, Frankrijk en Nederland, Aarlen als deel van Luxemburg, de euregio's, de stedelijke agglomeraties...
Het provincialisme dat deze regio verkavelt met spijkerharde landsgrenzen moet dringend overstegen worden. Onze regio tekent zich steeds meer af als het grootstedelijke gebied tussen Berlijn, Parijs en Londen. Meer dan de onderdelen heeft deze urbane werkelijkheid als geheel een onomstotelijk globaal belang, ook al wordt dit genegeerd door de goegemeente in elk van de betrokken landen.
3. Globale expertise
De individuen die de scène dragen, zijn veelal effectief globaal georiënteerd. Op lokaal vlak worden ze na zekere tijd weliswaar geïdentificeerd als 'internationaal', maar daar wordt vervolgens bitter weinig mee gedaan. Bovendien heeft het lokale veld vaak maar beperkt bijgedragen aan het bereiken van dat niveau; of dat zelfs tegengewerkt. Het ligt allerminst voor de hand dat ze fungeren als liaison tussen het globale en het lokale niveau. De overslag van individuele naar veldexpertises werd in het verleden dan ook maar ternauwernood gemaakt . Als een logisch gevolg daarvan zijn er ook weinig of geen internationale ontwikkelings- en beslissingsplatformen die dergelijke trajecten mee kunnen aansturen. Anselm Franke krijgt als curator van Manifesta geen extra ruimte, aandacht of middelen. Toch zou dit net zo goed als een momentum in een Vlaams kunstenlandschap benaderd kunnen worden. Iemand kan elders expertise opbouwen om die daarna op verschillende wijzen door te geven aan collega's, het veld en het publiek. Er is in Vlaanderen zelfs weinig bewustzijn van het belang van dergelijke platformen.
In het verleden is de werking van sleutelactoren ook weinig of niet vertaald geweest in de uitbouw van institutionele apparaten die de lokale verankering van dergelijke internationale ontwikkelings- en beslissingsplatformen zouden kunnen vormen of ondersteunen. BAM zou hier over netwerken spreken, en dat zijn het eigenlijk ook, maar laten we ons nu even beperken tot hun formele verschijning, dat is helderder. Bedrijven, structuren, instellingen. Het maakt ook meer duidelijk hoe we een publiek domein zouden kunnen opbouwen naast en vanuit de huidige losse stromen. De lokale kunstbeurs, de galeries, de uitgevers, de tijdschriften, de kunstencentra, kunsthalles en musea - ze zijn vaak op internationaal vlak wel 'degelijk' maar geen van alle zijn ze 'excellent' en slechts enkele ervan zijn zich werkelijk bewust van wat globale maatstaven vereisen.
4. Globale aanwezigheden
Het lokale en het globale lijken wel water en vuur. Het is echter allerminst ondenkbaar om de twee dimensies actief te combineren, door het strikt lokale over te laten gaan naar een regionale inbedding en vervolgens deze socio-culturele werkelijkheid om te zetten in een globale kracht. Vandaag is deze vorm van diaspora zelfs minder ondenkbaar dan ooit. Joodse of Armeense kunstenaars blijven vanuit de plek waar ze fysiek aanwezig zijn, tegelijk deel uitmaken van een cultureel 'elders' dat ze ook verder voeden. Een dergelijke gelocaliseerde maar ook voortdurend delocaliserende constructie is niet ondenkbaar vanuit de Vlaamse werkelijkheid met zijn intense maar disfunctionele kunsttraditie.
Dan zou al wie weg is gegaan toch in Vlaanderen kunnen blijven. Vroeger betekende vertrekken een breuk met de lokale situatie. Waardering en ondersteuning die hier uitbleef volgde in het buitenland wel. Tot vandaag blijven er haast net zoveel bekende Vlaamse organisatoren actief buiten als in Vlaanderen, een kans die te weinig als volwaardig wordt gezien. Een beeldende kunstbeleid dat zich niet vereenzelvigt met zijn territorium en al evenmin met de mensen die er wonen - cultuurbeleid moet dat doen, een kunstbeleid niet - kan de hand reiken naar iedereen die deel wil uitmaken van een zeker weefsel. Dit weefsel is dan eerder een artistieke traditie en een gemeenschappelijk gedragen project, en het kenmerkt zich daarom door een steeds verder gezette discussie. Waarom Maria Theresa Alves en Jimmie Durham niet als kunstenaars van hier blijven benaderen, zelfs als ze in Rome leven, omdat ze waardige opvolgers zijn van Broodthaers en Magritte? Waarom Eran Schaerf niet verder betrekken, een eminent visueel commentator op die zelfde twee voorgangers? Heeft hij hun inzicht in schurende beelden niet verbonden met een joodse traditie die de tekst in eindeloze glossen telkens herneemt en in minutieuze details herbenadert? Een joodse traditie, die hier ook altijd thuis is geweest, toch? En Francis Alys, is hij niet met Vlaanderen verbonden? Daarom niet vanwege zijn bloed of zijn herkomst, maar met zijn aanpak die artistiek pur sang is.
En waarom zouden we geen instellingen steunen op andere strategische plekken, in het buitenland, mits er een band is met deze regio hier? Onze man in Bern, onze instelling in Londen, onze vrouw in Toronto. Het klinkt misschien te punctueel, het gaat ook niet om deze concrete voorbeelden van globale spreiding en trouwens evenmin om het falen van de regio om verankering en respect te geven aan de polyfonie van artistieke voorstellen van mensen die hier wonen, maar vaak een vleug van elders om zich hebben.
Wat telt is de mogelijke inzet, een inzet om een focus op het artistieke te houden en deze voortdurend opnieuw scherp te stellen. Een verschuiving van de kwantiteit van producties en bewegingen naar een project dat globale impact nastreeft en dat die vervolgens ook belichaamt. Dit houdt meteen een verschuiving in van wat men impliciet als structureringswijze aanvaardt voor het denken over beeldende kunst en zijn omgeving.
Het is geen blinde stroom meer die als vrije markt zijn gang gaat, maar het is net zo goed nodig af te stappen van een idee van een kunstenbeleid als de plek waar het veld wordt vormgegeven in onderhandeling, zoals nu gebeurt, door ons allen; ons allen, veldbewoners, binnen- en buitenstaanders, de goedwillende buitenstaanders die men politici noemt, interessante en pedante omgevingsvoorwaarden, mediaficties, en ga zo maar door. In plaats daarvan weet het beeldende kunstveld zelf wat het wil, niet vanuit een absolute zekerheid, maar als voortdurend hernomen hypothese. Elke act betreft ook bewust het bredere geheel. De beeldvorming gebeurt actief in het veld dat zich niet receptief door het beleid laat leiden. De verantwoordelijkheid verandert dan ook meteen mee, niet enkel van plaats maar ook van aard. De plaats: het is niet meer de politiek die kop van jut is. De aard: de diverse veldspelers die bij zo'n wezenlijk geglobaliseerde positionering de fundamentele verantwoordelijkheid op zich nemen, volstaan er niet meer mee om "goede resultaten" neer te zetten. Professionalisme volstaat niet meer, pr-fähigkeit evenmin. Met veldspelers doel ik dan vooral op de omkaderende structuren in breedste zin. Zij gaan dan altijd ten volle de dialoog met hun omgeving aan en maken deze bewust, zoals kunstenaars via hun werk steeds hebben gedaan.
(deze tekst is verschenen in ‹H›ART 44 van 4 december 2008)
Bart De Baere is directeur van het MuHKA.
