Arno Roncada
Breuklijnbeelden
Erik Eelbode
'A photograph has edges;
the world does not.'
(Stephen Shore)
Arno Roncada neemt geen foto's. Hij vindt ze uit. Beelden of fragmenten of perspectieven van plaatsen. Landschappen. Eerst waren er de plaatsen. Bijvoorbeeld.
Net om de hoek of onvatbaar ver weg. Het soort plekken ook waar je doorgaans achteloos, argeloos aan voorbijloopt. Tot je ze als fotobeeld in de gaten krijgt.
- Wanneer gaan we op een ongewone manier naar het gewone kijken? De vervreemding bij Brecht en Guy Debord. Freuds Unheimliche. Dichtbij huis en beangstigend onbereikbaar tegelijk. Het alledaagse, schreef Georges Bataille, glipt iedere dag opnieuw uit onze aandacht en spoort ons aan de andere kant op te kijken. Iets is alledaags als het aan onze blik begint te ontsnappen, als het onzichtbaar of onopgemerkt blijft - deel van het meubilair. Maar uitgerekend dan de moeite waard wordt om nader te bekijken. Dat is alvast een van de mogelijke interpretaties en kansen die de plaatsbeelden van Arno Roncada bieden.
En dat kan omdat hij geen argeloos fotograaf is. Hij is geen adept van het anything goes-principe dat nu al jarenlang in grote mate de fotografische beeldenstroom stuurt. Steeds meer fotografen huldigen vandaag een ruimtelijk nihilisme, schrijft Dirk Lauwaert in zijn recente boek Lichtpapier. Mensen gaan niet meer weg, maar zijn altijd op weg. Ze geven geen vorm aan ruimte, maar doorlopen haar als een afstand tussen twee punten. Hun beelden laten zo de negatie van de plek zien. Zij fotograferen ruimte als vluchtroute, als evacuatiecorridor, als transitzone. -
Arno Roncada heeft ook dergelijke overgangslocaties gefotografeerd, maar niet en passant. Eigenlijk had hij het beeld al bedacht vóór de plek zelf zich aandiende. Daarvan spreken ook de titels die hij systematisch aan elk werk meegeeft. En wanneer zo'n plaats samenvalt met zijn denken van dat moment, dan houdt hij er halt. Hij neemt letterlijk de tijd om vorm te geven aan een ruimte. Om ons voluit te laten zien wat er te zien is én - zo mogelijk - wat hij er zelf in dacht te zien.
In Prop zien we zo bijvoorbeeld, driewerf belicht, een raster van zwarte vierkanten in verschillende intensiteiten, een rek, een rekwisiet in restlicht. Of: van rechts valt door glasgordijnen overvloedig daglicht een lege ruimte binnen; op de morsig grijze vloer van Inter tekent zich een schematisch patroon in gele lijnen af als herinnering aan of voorbode van een ingrijpende verandering? Diepblauw kamerbreed tapijt maakt deel uit van de hedendaagse standaardhoteluitrusting waar het werk Inn naar verwijst; uit een inbouwmeubel is een bedhelft uitgeklapt, op de witte matras een uitdeiende bloedrode vlek. Plaats delict in model-kamer? Of gaat het om dat opmerkelijk dégradé van geeltinten? Model biedt dan weer een onbedenkbare assemblage van isolatiemateriaal en loshangende plafondtegels of zou dit een schematische voorstelling van een nog onbekend planetair stelsel kunnen zijn? En wie ooit de sf-film Close_ Encounters uitzat, ziet in de van achterin belichte berg best nog wel wat anders dan een gifgroen diorama-achtig model.
De beelden van Arno Roncada zijn dus - in wisselende gradaties - al vooraf 'gemaakt'. Bedacht - en geprevisualiseerd - vanuit een mix van intuïtieve invallen, kritische overwegingen en al dan niet bestaande rationele modellen. Dan pas is er de 'plaats', die bij hem nooit een staalkaart of een archeologie van de lege ruimte wordt, maar een idee wil vatten. Plaatsen worden in die zin gevonden of soms zelfs letterlijk zelf geconstrueerd. In Double wordt zo bijvoorbeeld vanuit een dominant centraal perspectief en via dubbele belichting een nieuwe ruimte gecreëerd. En ook het merkwaardige werk Fault_Trace blijkt een pure constructie en assembleert in zekere zin een soort vocabulaire van zijn beeldtaal. Er is de spanning tussen mogelijk en onmogelijk, tussen onecht en echt, tussen het moment in de tijd en de duur, tussen de haarscherp uitgelichte plek en de quasi in mist opgaande ruimte. Er is de vrijwel volkomen inperking van het toeval. Naast de letterlijke vertaling van de titel waarmee de kijker ook wel deels op een verkeerd spoor wordt gezet, verwijst Fault_Trace in eerste instantie naar een geologisch begrip: de tectonische platen onder het aardoppervlak schuiven over elkaar heen, waardoor breuklijnen (fault traces) ontstaan.
Aan de plaatsen en constructies werden inmiddels - als contrapunt en contrapunt en adempauze tegelijk - een aantal volbloed berglandschappen toegevoegd. Ook deze Gran_Turismo-beelden gaan in principe uit van de bestaande, de mogelijke werkelijkheid (de vulkaan Etna, de Alpen ...), maar maken al vlug duidelijk dat het niet daar om gaat. Alleen al de uiteenlopende formele variaties - van opgedreven rotsvoorgronden in pastelkleur en postkaartluchten tot quasi informele abstracties - geven aan dat deze beelden een eigen leven willen leiden dat voorbijgaat aan de concrete plaats. Bijna net zoals vóór het eind van de achttiende eeuw 'het landschap' voor kunstenaars nog niet echt bestond. De geïdealiseerde bergmassieven uit de klassieke schilderkunst hebben niets met de Pyreneeën of Alpen vandoen en ook negentiende-eeuwers als William Turner of Caspar David Friedrich werken nog volgens het devies: 'le paysage est un état d'âme'. Met deze eigentijdse versie van 'le sentiment de la montagne' voegt Arno Roncada - trefzeker, vormvast en niet zonder ironie - nog een vruchtbaar register toe aan zijn arsenaal van bedachte beelden. Zijn 'breuklijnbeelden'.
Enkele uitzonderingen niet te na gesproken - de magistraal oplichtende arm van Lara bijvoorbeeld of de piepkleine figuurtjes die op een van de Gran_Turismo-beelden langs de rand van de vulkaan lopen - zijn er zo goed als geen mensen te bespeuren in Arno Roncada's werken. Maar zijn er op de schilderijen van Caspar David Friedrich eigenlijk wel mensen te zien? Of zijn die figuren er enkel om - ruggelings - met hen mee het beeld in (of uit) te kijken? Als een spiegel die wacht op beeld.
(augustus 2007)
