Je moet als kwikzilver zijn
'Supradisciplinair' werken in de Appel, Amsterdam
Ann Demeester
'De Appel is in 1975 opgericht door Wies Smals als een centrum voor performance art. Dit medium was destijds pril, het kreeg nog maar weinig institutionele erkenning. Om die reden wilde Wies Smals een forum creëren voor 'efemere' kunst: acties, performances, happenings, evenementen, … Kunst werd hier dus beschouwd als iets tijdelijks – iets waar je op het moment zelf bij moet zijn om het te kunnen waarnemen. Dit benadrukken van het efemere duurde een vijftal jaren. Nadien werd de Appel een bureau voor de logistieke en conceptuele ondersteuning van kunstenaars om grotere projecten op te zetten. Er was na enkele jaren het gevoel dat performance art in de kunstwereld wel voldoende geaccepteerd was, en dat er hiervoor geen apart nicheplatform nodig was. Er was geen mediumspecifieke institutie meer nodig, vond Wies Smals.
In de late jaren 1980 en 1990 zette de Appel niet meer systematisch in op performance. Saskia Bos, de vorige directeur, had er weinig interesse voor en misschien kaderde dat in de tijdsgeest. De cross-over invalshoek was in de jaren 1990 blijkbaar minder dominant. Maar toen ik anderhalf jaar geleden bij de Appel begon, leek me dit – zeker in de lokale, Nederlandse context – opnieuw meer prominent. Er is geen sprake van een boom, maar performance is opnieuw zichtbaar een strategie waarvan vele kunstenaars zich bedienen. Niet iets waar ze zich in hun traject exclusief op toeleggen, maar wel één van de mogelijke instrumenten die ze ter beschikking hebben – naast lezingen, sculpturen, schilderijen, installaties, teksten, ...
Zeker in de Nederlandse context blijft er sprake van cultureel separatisme. Er is nog steeds zeer weinig communicatie tussen de verschillende disciplines op een inhoudelijk en conceptueel niveau. Jazeker, er zijn samenwerkingsverbanden tussen het theaterveld, het dansveld, het veld van de beeldende kunst. Maar op een discursief niveau is er nauwelijks een betekenisvolle uitwisseling. De jonge kunstenaars, theatermakers, choreografen die ik in die tijd ontmoette, hadden sterk het gevoel dat ze tussen verschillende stoelen terechtkwamen. Om die reden leek het ideaal voor de Appel om te functioneren als een soort van onbestemde 'zone' waar dingen kunnen plaatsvinden.
Een van de eerste aandachtspunten was de ontwikkeling van een nieuw vocabulaire voor wat we doen. We kiezen dan niet voor een woord als 'performance', wel voor het woord 'situatie' of 'gebeurtenis' omdat dit meer flexibiliteit en fluïditeit mogelijk maakt. Het categoriseert niets. We hebben het ook niet over 'interdisciplinaire cross-overs' maar wel over 'supradisciplinair' werk. De achtergrond van de mensen met wie ik werk is immers van geen tel. Het maakt niet uit of ze nu beeldende kunstenaars, theatermakers of choreografen zijn. Het is de context van de Appel die bepaalt hoe mensen naar hun werk kijken. We blijven in de eerste plaats wel een ruimte specifiek voor beeldende kunst en dat is heel bepalend voor de manier waarop mensen kijken naar wat er in de Appel gebeurt of naar wat we buitenshuis organiseren. Zelfs als dat plaatsvindt in een theater, dan nog is dit heel sterk gedetermineerd door het referentiekader van beeldende kunst. Het gaat dus niet om de achtergrond van kunstenaars, wel om de vraag op welke manier zij aan de slag kunnen met onze context.
Iets anders dat sterk het voorwerp was van interne discussies, was de kwestie van timing en formats. Vorig jaar experimenteerden we hiermee. Er zitten altijd enkele weken tijd tussen verschillende tentoonstellingen, en in die periode organiseerden we voorstellingen in een lege witte kubus. We zijn daarvan afgestapt omdat het voor het publiek heel verwarrend bleek te zijn. Het was niet duidelijk of de 'situaties' nu op zich stonden, of ze deel uitmaakten van een van de tentoonstellingen, … We zijn teruggekeerd naar het meer conventionele semi-festivalformat waarbij we een aantal verschillende 'gebeurtenissen' inplannen op de beperkte tijdspanne van pakweg een week. We doen dit in samenwerking met andere lokale partners, simpelweg omdat er zoveel spelers op het veld zijn en het ons zinloos leek om in nevenschikking nog een nieuwe manifestatie op te zetten. Je hebt Springdance, Holland Festival, Julidans, Something Raw, … Daar wilden we niet nog een festival aan toevoegen, wel de context die zij voorzien gebruiken als vehikel om met een publiek te communiceren.
Een interessante kwestie is die van het registreren en documenteren van tijdelijke kunst. In podiumkunsten en beeldende kunst leeft het gedachtegoed van Peggy Phelan, waarbij het momentane van de performance zo belangrijk is dat documenteren verdacht wordt. Hoe kun je de ervaring van de performance immers bewaren? In de beeldende kunst lijkt er een taboe te bestaan op documenteren. Wij willen met de Appel net méér documenten maken. Niet alleen foto's en videoregistraties, we vragen ook aan mensen om getuige te zijn en hun ervaring in een tekst te verwerken. We hebben ook een groot performance archief in de Appel. Elk jaar vragen we een curator om met dat archief aan de slag te gaan en een element te vertalen in de vorm van een tentoonstelling.
Algemeen zie ik niet echt een probleem met supradisciplinaire artistieke praktijken. Maar een organisatie die zich toelegt op performances, gebeurtenissen en evenementen moet wel hyperflexibel zijn, moet bijna een soort kwikzilver zijn. Die moet zich de hele tijd aanpassen aan individuele praktijken. Het is onmogelijk om daarvoor een format te ontwikkelen.
De grootste uitdaging ligt wel in het deconditioneren van het publiek. Kijkpatronen zijn niet geconditioneerd door de infrastructuur. Of je nu iets in een black box of een white cube zet, maakt niet zoveel uit. De normatieve impuls ligt eerder in de preconcepties van het publiek. Mensen nemen die mee waar ze ook naartoe gaan. Een danspubliek neemt zijn kijkpatronen mee de witte kubus in. Een beeldende kunstpubliek neemt zijn achtergrond mee in het theater. Het grootste probleem is hoe je die referentiekaders kunt uitwissen. Hoe kun je mensen naar kunst laten kijken vanuit een brede achtergrond, maar met een open geest?'
Transcriptie van de interventie van Ann Demeester, directeur van kunstencentrum de Appel te Amsterdam, tijdens de paneldiscussie op het colloquium 'Het speelveld tussen beeldende kunst en podiumkunst', STUK Leuven, 8 november 2007.
Bron: Courant #84 (www.vti.be/courant84)
(Ann Demeester is directeur van kunstencentrum de Appel in Amsterdam)
>> Dossier 'Beeldende Kunst & Podiumkunsten'
