STUK en Vooruit over het produceren en programmeren van hybride kunst

Joris Janssens

Kunstencentra hebben al jarenlang een 'multidisciplinaire' opdracht. Ze vergaarden vaak heel wat ervaring met het programmeren en produceren van interdisciplinaire kunst. Toch blijkt dat ook voor hen geen evidentie. Pasklare recepten zijn er niet om bij interdisciplinaire producties, 'hybriden' en performances het publiek met het juiste verwachtingspatroon in de zaal te krijgen.
STUK in Leuven en Vooruit in Gent zijn kunstencentra met hoofdzakelijk een podiumtraditie, maar met toenemende aandacht voor disciplines als beeldende kunst, live art, mediakunst. We spraken met vier programmatoren van deze huizen: Tom Bonte (podiumkunst) en Eva De Groote (mediakunst) van Vooruit, en Eva Wittocx (beeldende kunst) en Els De Bodt (podiumkunst) van STUK.

Waar liggen de grootste moeilijkheden bij 'hybride' artistieke praktijken? Niet zozeer bij de kunstenaar, zo lijkt het. Die doet zijn/haar ding in steeds wisselende omstandigheden. Maar tegelijk dagen ze instituties uit want daar zijn de procedures zodanig ingesleten dat er problemen ontstaan. Tijdens het colloquium op het festival Playground noemde Johan Pas hybridisering zelfs een bewuste anti-institutionele strategie van kunstenaars.

Tom Bonte: 'In principe willen instituties vaak wel mee, maar in de praktijk wordt het een probleem waar ze een publiek vertegenwoordigen. Als je wilt communiceren, dan moet je labels plakken en dan wordt het moeilijk. Ikzelf zou zoveel mogelijk de term 'theater' gebruiken voor alles wat je binnen zo'n context kunt presenteren: van Needcompany tot wat we 'performance' noemen. Voor mij is dat allemaal 'theater'. Maar vaak is het publiek het daarmee niet eens. Mensen zijn dan teleurgesteld.'
Els De Bodt:
'Communicatie is inderdaad het grote probleem. Ik krijg soms mails van mensen die zeggen dat ze naar een voorstelling zijn geweest die aangekondigd werd onder de noemer 'dans', maar dat ze geen dans gezien hebben: "Beste mevrouw, leg me dat eens uit". Het is erg moeilijk om mensen met het juiste verwachtingspatroon in de zaal te krijgen. Soms programmeer je die voorstellingen een jaar op voorhand en moet je er al een label op plakken. We proberen de term "performance" te vermijden omdat die weinig communicatief is. Mensen kunnen zich daar niets bij voorstellen. Vaak dekt de vlag de lading ook niet. Wat blijft er dan nog over: noem je dat theater of dans? Onder die noemers kun je ook niet alles kwijt. Het publiek accepteert dat niet. Mette Edvardsen bijvoorbeeld stond bij ons als dans geafficheerd. Lijkt logisch, want ze is een choreografe. Maar daar is toch heel wat reactie op gekomen.'
Bonte: 'Ik heb me dit seizoen al een paar keer vastgereden. Ik heb alles wat performance was, gecatalogeerd als "dans/performance" of "theater/performance". Kris Verdonck had ik als theater/performance gelabeld. Nadien blijkt hij een dansvoorstelling te maken, met vier danseressen aan touwtjes. Tja, dat wordt dan lastig om uit te leggen.
Vaak zijn reacties op de labels een uiting van appreciatie. Mette Edvardsen maakt moeilijker, meer hermetisch werk. Als het publiek dat dan geen goede voorstelling vindt, komen de reacties sneller. Het genre wordt dan de stok om mee te slaan. Meer toegankelijk werk, zoals dat van Ivana Müller, kun je probleemloos "theater" noemen - wat het volgens mij ook is. Als mensen de voorstelling amusant vinden, dan kom je met alles weg.'
Eva De Groote: 'Het woord performance blijkt in Vlaanderen een curieuze betekenis te hebben. Hier hebben we het eerder over hybride podiumkunst, maar in het buitenland associëren ze dat heel sterk met de live traditie in de beeldende kunst.'
De Bodt: 'In beeldende kunst is de term inderdaad minder een probleem omdat je er een lange live traditie hebt. In podiumkunst is het net daardoor moeilijker als communicatievehikel. Dat woord schrikt mensen af. We zouden een nieuwe term moeten zoeken. Tijdens de studiedag op Playground stelde Ann Demeester (de Appel, Amsterdam) het woord "situation" voor, of "gebeurtenis". Maar dat staat voor mij toch weer te ver af van het referentiekader van theater of dans.'
Bonte: 'Tijdens dat gesprek bleek toch sterk dat mensen uit de beeldende en de podiumkunsten het over andere dingen hebben. We gebruiken dezelfde woorden om over heel verschillende praktijken te spreken. In de beeldende kunst is een performance een eenmalige en contextspecifieke actie. De geschiedenis die Johan Pas vertelt, gaat niet op voor de podiumkunsten. Want in de podiumsector is een performance iets wat zonder probleem herhaald en ook verkocht kan worden.'
Eva Wittocx: 'We moeten de discussie over hybriditeit inderdaad niet inperken tot voorstellingen die binnen de Vlaamse podiumkunstensector gesubsidieerd worden. Als voorbeelden worden vaak Kris Verdonck, Arco Renz, Needcompany, Mette Edvardsen, ... genoemd. Vanuit mijn optiek passen deze volledig binnen de podiumkunsten en is daar niet zo veel hybrieds aan. Wat we met Playground beoogden is net dit meer open te trekken vanuit beeldende kunst en vanuit een internationaal perspectief. Daar zijn heel wat performances die in vorm een ware voorstelling kunnen genoemd worden, maar niet binnen het Vlaamse veld bestaan/toeren. Vaak zijn het ook voorstellingen die internationaal zowel aan bod komen binnen een beeldende als een podiumcontext. De voorstelling van Guy de Cointet die we programmeerden, is daarvan een mooi voorbeeld van. Die is na Londen en Frankrijk binnenkort ook op het Festival aan de Werf in Utrecht te zien. De voorstelling van de beeldende kunstenaars Robert & White gaat naar Something Raw in De Brakke Grond te Amsterdam en ook naar Parijs. Het Living Currency project is eind januari twee namiddagen te zien in Tate Modern. Voor mij zijn dit meer hybride vormen: ze combineren aspecten van beeldende en podiumkunst. Soms zijn het min of meer afgewerkte voorstellingen die toeren, andere keren spannende projecten die herwerkt worden voor elke context.'

Hoe profileren Vooruit en STUK zich als huis ten aanzien van de verschillende artistieke disciplines en de ontmoeting daartussen? Beide kunstencentra werken multidisciplinair, maar op een andere manier. Hoe liggen de verhoudingen tussen de disciplines binnen jullie huizen?

De Bodt: 'Sinds de nieuwe ploeg aan de slag ging, is dat wel veranderd. Vroeger had je één programmator voor dans, één voor theater, één voor mediakunst en één voor beeldende kunst en muziek samen. Nu is er nog één programmator voor dans en theater, en is de werking rond beeldende kunst uitgebreid. Eva is onze voltijdse programmator beeldende kunst en performance. Dat is een grote stap. Ieder werkt zijn eigen programma uit, maar tegelijk is er ook veel overleg over festivals als Taste, Playground, Artefact, ... Dat zijn gebalde momenten waarop we de disciplines in huis echt in dialoog willen laten gaan. Wat nu die hybridisering binnen de podiumkunsten betreft, dat lijkt me een organisch en onomkeerbaar proces te zijn. Je moet als kunstencentrum de vinger aan de pols houden en als je alleen theater of dans programmeert, dan loop je achter. Jonge kunstenaars voelen zich helemaal niet meer thuis in die traditionele kaders.'
Wittocx: 'Mijn positie is veranderd ten opzichte van vroeger, toen ik curator was in het SMAK in Gent. Ruimtes voor beeldende kunst - zoals SMAK, MuHKA, Extra City of Wiels - organiseren ook wel performances, maar dan vooral tijdens een opening of gebalde momenten. Dat is niet zo zichtbaar voor de podiumsector. Als je iets gelijksoortigs organiseert in een huis met een reguliere podiumwerking, dan krijgt zulk werk een heel ander statuut. In SMAK moet zoiets in de inkomhal of in de witte kubus geplaatst worden. In STUK kan je ook in het theater of de concertzaal terecht. In dat geval is het karakter van zo'n voorstelling en de visibiliteit naar de sector van de podiumkunsten helemaal anders. Pas dan worden zulke performances ook daar opgepikt. Belangrijk is wel dat we in STUK rond de verschillende disciplines ook een autonome werking hebben. Die cross-overs zijn volgens mij pas interessant als er ook een pure werking rond beeldende kunst, theater of dans is. De uitwisseling komt op de tweede plek.'
De Groote: 'Bij Vooruit ligt dat anders. We hebben niet echt een beeldende kunstwerking. Maar ook bij ons is podiumkunst gedeeltelijk afgebouwd. Wij hebben ook de stap gezet om geen aparte programmatoren voor dans en theater meer te hebben. De plek van de podiumkunsten is afgebouwd om meer ruimte te maken voor mijn veld: mediakunst. Dat is een term die een breed veld van nieuwe ontwikkelingen aanduidt. Dat sluit minder bij de reguliere beeldende kunst aan, maar meer bij elektronische muziek, nieuwe media, ... Er gebeuren veel frisse en interessante dingen in die circuits waar Vooruit vroeger geen toegang toe had. We brengen die nu binnen in een huis met een podiumtraditie.
Dat zorgt voor een eigen dynamiek: wat voor ons een "voorstelling" is, is dat niet noodzakelijk voor de kunstenaars. Met Almost Cinema nodigden we de fotograaf Volker Gerling uit met zijn zogenoemde Daumenkino. Hij heeft van zijn foto's flipboekjes gemaakt, die hij liet zien en filmde terwijl hij erover vertelde. Dat hebben we als een performance aangebracht en het publiek heeft dat geaccepteerd.'
Bonte: 'Hij was geen theatermaker, had geen podiumervaring. Maar we wisten dat dit werkt voor een publiek. Als het goed is, zeurt niemand over de labels.'

Is - los van de labels - de vraag niet eerder of mensen het juiste referentiekader beschikken, en gewapend zijn met de juiste competentie om een bepaald type van werk te kunnen lezen en appreciëren?

Bonte: 'Je merkt dat mensen sterk gehecht zijn aan hun verwachtingspatroon. Kijken we maar naar onszelf: hoe moeilijk is het niet om je te heroriënteren tijdens de voorstelling, als die sterk afwijkt van wat je verwachtte? Zelfs voor een geoefende kijker is anderhalf uur daarvoor kort. Dan weet je hoe moeilijk het is om juist te communiceren, zodat een publiek met het juiste verwachtingspatroon in de zaal zit.'
De Bodt: 'We spreken ook over voorstellingen waarbij op voorhand heel onduidelijk is hoe die eruit gaan zien. Bij bijvoorbeeld Guy Cassiers is dat anders; die werkt binnen een duidelijk kader. Er is anderhalf jaar op voorhand een mooie samenvatting beschikbaar, omdat men bijna altijd van een (bestaande) tekst vertrekt. Over de hybriden hebben we op voorhand vaak weinig of geen informatie.'
Bonte: 'Ook als het werk af is, blijft het moeilijk omdat het weinig narratief is. Welke kapstok heb je? "Mette Edvartsen simuleert een bankoverval en beweegt zijdelings over het podium." Dat zegt niets. Je bent dus gedwongen om een abstracte taal te gebruiken. Maar algemeen stemt de toekomst me hoopvol. De volgende generaties zullen gemakkelijker dan wij omgaan met die hybridisering, omdat die maatschappelijk verankerd is. Informatie komt allang niet meer langs één kanaal, maar via verschillende sporen tegelijk. De kunst pikt daarop in, stimuleert dat. De keerzijde is wel dat mensen in zo'n flitsende samenleving afleren om aandachtig te kijken.'

We hebben het over labels gehad. Welke strategieën heb je om mensen te wapenen om hybride werk te lezen?

Bonte: 'Er zijn de klassieke instrumenten, zoals voor- en nabesprekingen. Dat doen wij ook, maar daarbij steken we onze energie steeds meer in voorstellingen die we echt heel goed vinden en waarvan we vinden dat ze een breder publiek zouden aankunnen. Elk jaar organiseren we "ontdekkingsdagen" bij dergelijke voorstellingen, met na de voorstelling informele ontmoetingen met kunstenaars. De reacties zijn goed - ook bij abstracte voorstellingen. Dan blijven veel mensen napraten, ook met de makers. Daarnaast zijn er ook de "abodagen" waarbij ik abonnees informeer over mijn persoonlijke highlights in de programmering van het volgende seizoen. Dan willen we beklemtonen dat we - naast de Toneelhuizen van deze wereld - veel ander en minder bekend werk tonen.'
De Groote: 'Er is ook onze webcommunity. Vorige lente lanceerden we een ambitieus webplatform om een andere interactie met het publiek te krijgen. Dat begint stilaan te werken. Je krijgt steeds meer geanimeerde discussies over voorstellingen.'
De Bodt: 'Je merkt dat mensen het ook appreciëren als je je als programmator in de discussie mengt. Als Eva rondleidingen geeft, is dat arbeidsintensief maar het werkt wel. Vorig jaar installeerden we tijdens Taste, ons festival voor werk van nieuwe makers, ook een studentenjury die we begeleidden en die met alle makers in gesprek lieten gaan. Uiteindelijk koos die jury Carlos Pez als winnaar, de choreograaf die het meest hybride werk op Taste maakte. Ook dat was een arbeidsintenstief proces voor een kleine groep, maar voor hen loont die persoonlijke investering. Je hoopt dan dat een kleine groep van mensen voor een sneeuwbaleffect zorgt.'

Kunnen de podiumkunsten wat discursieve omkadering betreft niet leren van de sector van de beeldende kunst? Bespelen musea - in vergelijking met podiumhuizen - niet meer het hele gamma van labels en slogans tot catalogi, leeshoeken met documentatie, ...

De Groote: 'Dat frustreert me wel, maar we hebben te weinig mogelijkheden om daarop in te spelen. Het is niet eenvoudig om voor veel kleine podiumvoorstellingen hetzelfde type van inspanning waar te maken als voor grote tentoonstellingen. Maar als voorstellingen gebundeld worden, zoals op festivals, kun je misschien wel een tandje bijsteken.'
Wittocx: 'Tijdens Playground hebben we op verschillende niveaus gecommuniceerd. We hadden een meer uitgewerkte programmabrochure, naast een flyer met de meer toegankelijke voorstellingen. Er waren uitgebreide, meertalige zaalteksten en voor een aantal voorstellingen en de Living Currency expo maakten we boekjes met een meer uitgebreide toelichting.'

Wat zijn de problemen op het vlak van realisatie en productie?

De Groote: 'We hebben niet alleen de verandering in het programma doorgevoerd, maar ook op andere niveaus. Maar de productie en techniek blijft moeilijk. We hebben een technische ploeg met een specifieke theaterachtergrond. Voor hen was het vooral in het begin aanpassen. Het was lastig om tijd en geduld vrij te maken voor iemand die een halve dag uittrekt voor de opbouw van een installatie en dan wil dat die monitor een centimeter anders hangt. Die gevoeligheid sluit nauwer aan bij beeldende kunst en die hadden wij niet in huis, dat is een leerproces.'
De Bodt: 'Het is inderdaad een kwestie van ervaring, maar ook van attitude. Onze technici kunnen heel uiteenlopend werk aan. Maar als je ze laat kiezen is het voor hen gewoon veel prettiger om een voorstelling van Toneelhuis te ontvangen. Je komt niet voor verrassingen te staan en Toneelhuis stuurt zelf twee technici mee voor de opbouw.'
De Groote: 'Bij dergelijke theatervoorstellingen kun je meer vertrouwen op de routine van de technische ploeg en de communicatiemedewerkers. Het is nodig dat je als programmator veel nauwer bij de communicatie betrokken bent. De marketing voor een festival zoals The game is up gebeurde in nauwe samenspraak.'
Bonte: 'Hybride werk produceren en programmeren is veel minder voorspelbaar en daardoor meer arbeidsintensief. Er zijn geen procedures en alles gebeurt ad hoc. De vraag wat het werk nodig heeft, wordt telkens opnieuw gesteld. Dat is voor mij nog steeds een leerproces. Ik heb me voorgenomen om selectiever te zijn dan in het verleden: minder producties, die je dan wel de aandacht kunt geven die ze verdienen.'
Wittocx: 'De "nazorg" is een belangrijk aandachtspunt. Als programmator of huis moet je ervoor zorgen dat het werk ook elders opgepikt wordt, dat het kan toeren of onder aandacht van anderen komt. Net voor deze meer bijzondere kunstvormen moeten we in de toekomst meer tijd vrijmaken. Het wordt doorgaans gemaakt door kleine organisaties zonder productiepersoon voor tournees en communicatie - anders dan bij teksttheater van huizen die zichzelf deels verkopen en volop reizen. Uiteraard is deze nazorg tijdrovend en niet evident voor een huis dat veel producties programmeert. Maar ook STUK wil hier in de toekomst meer tijd voor uittrekken, ook al wil dit misschien zeggen dat er iets minder getoond/geprogrammeerd wordt.'

Wat is de impact van jullie infrastructuur op de manier waarop jullie met de disciplines omgaan?

Wittocx: 'De infrastructuur voor beeldende en podiumkunst is zeer verschillend. Alle zalen in STUK werden bij de verbouwing opgevat als podiumkunstenruimtes (muziek, theater of dans). De toenemende interesse voor beeldende kunst dateert van na de verbouwing (2000-2001). De ruimte in het gebouw die tot dan geen duidelijke bestemming had, is dan de Expozaal geworden.'
De Groote: 'We hebben in de infrastructuur geïnvesteerd, bijvoorbeeld door het gebouw wireless te maken. Maar de architectuur heeft zijn beperkingen. We hebben met het installatieparcours een nieuw format ontwikkeld, om dat nieuwsoortig werk überhaupt te kunnen tonen en om kleinere performances te bundelen tot een avondvullend programma. In het begin werkte dat moeizaam. Je kunt het kijkgedrag van mensen niet zomaar veranderen.'
Wittocx: 'De distincties binnen podiumkunst zijn uiteindelijk wel details in vergelijking met de kloof tussen beeldende en podiumkunst. Of het nu theater is, dans of iets anders, podiumkunst speelt zich meestal af in een black box en binnen een duidelijk afgebakende tijdspanne. Beeldende kunst bekijk je anders, zonder tijdsbeperkingen en eerder in een white cube ruimte. Die conditionering van het kijkgedrag blijft toch heel sterk. Ook bij Playground merk je dat het moeilijk is om dat te doorbreken. Veel beeldende kunstliefhebbers willen rondlopen, die zitten niet graag stil. Veel podiumliefhebbers hoeven geen tentoonstelling meer te zien na hun voorstelling.'
De Bodt: 'Je merkt inderdaad dat beeldende kunst en podiumkunst hun eigen publiek hebben. Mensen maken niet gauw de overstap. Maar met een festival als Playground kan je wel een context creëren om iets anders mee te pikken. Tijdens een festival komt hybride werk inderdaad het best tot zijn recht. Mensen weten dat ze iets speciaals kunnen verwachten. In het jaarprogramma werkt dat niet.'
De Groote: 'Ik heb de stap gezet om enkel nog met projecten te werken, vaak met duidelijk afgebakende thema's zoals Almost Cinema. Maar ik ben wel optimistisch. Misschien is het moeilijk om echte genreliefhebbers met ingesleten kijkpatronen te bekeren tot iets nieuws. Maar volgens mij is er wel degelijk een nieuw en nieuwsgierig publiek met een open blik, dat we meer dan nu kunnen aanspreken.'
Wittocx: 'Ook ik ben positief. Als kunstencentrum heb je wel de continue taak om te blijven prikkelen en te proberen mensen mee te krijgen met iets nieuws. Het is onze educatieve rol om het publiek te blijven uitdagen.'
Bonte: 'Bij ons lukt het intussen meer en meer om een aantal "hybriden" met succes naar de reguliere programmering over te brengen. Dat heeft als consequentie dat de druk op de kalender toeneemt. Het betekent dat anderen - gevestigde waarden - plaats moeten ruimen en dat krijg je moeilijk uitgelegd. Maar steeds minder is er plek voor een routineuze programmering op basis van gewoonte.'

Bron: Courant #84 (www.vti.be/courant84)

(Joris Janssens is onderzoeker bij het Vlaams Theater Instituut; Tom Bonte is programmator podiumkunst en Eva De Groote programmator mediakunst in kunstencentrum Vooruit; Eva Wittocx  is programmator beeldende kunst en performance en Els De Bodt programmator podiumkunst in kunstencentrum STUK)

Zie ook: ''Playground. Performance in een kunstencentrum' - de tekst van Eva Wittocx over de betekenis van een multidisciplinair kunstencentrum voor performancekunstenaars, a.d.h.v. het festival Playground.

 

>> Dossier 'Beeldende Kunst & Podiumkunsten'

STUK en Vooruit over het produceren en programmeren van hybride kunst (Courant #84)