Mimétisme
Een interview met Anselm Franke over 'hybridisering'

Thomas Crombez

Anselm Franke is curator van de tentoonstelling Mimétisme. Hij kijkt niet zozeer naar de formele uitwisseling tussen theater en beeldende kunst, maar brengt werken samen die op kritische wijze gebruik maken van de kunst van de nabootsing. Het gesprek met Franke sluit aan bij de discussie over disciplines, cross-over en hybridisering.

Anselm Franke: 'Ik vraag me af wat de inzet is van een debat over hybridisering. Gaat het over het creëren van nieuwe cross-disciplinaire instituties? Over subsidiebeleid? Je kunt in de term hybridisering in elk geval moeilijk een ideologische kwestie herkennen. Het is één ding om na te denken over instituties en beleid en een ander ding om na te denken over de inhoud van een tentoonstelling.
Ik ben van mening dat tentoonstellingen maken helemaal geen natuurlijke zaak is. Het is een genre. De grenzen van het genre zijn momenteel erg wazig geworden, en daar hou ik absoluut niet van. Dit wil niet zeggen dat ik zo'n voorstander ben van disciplinarisering, of van het elitaire discours, of dat ik de oude autoriteiten van de kunstgeschiedenis opnieuw wil binnenhalen. Maar je hebt genre nodig om te begrijpen waarover iets gaat. In de context van een tentoonstelling is elk gebaar betekenisvol: kiezen om een welbepaalde foto aan de muur te hangen, op een welbepaalde manier, op een welbepaalde hoogte, in een constellatie tot een ander werk enz. Een tentoonstelling is een context waarin elk gebaar in hoge mate overgecodeerd is. Spring je nauwkeurig om met die codes, of laat je ze onscherp worden?
Het plezier in het maken van tentoonstellingen, net als in het bekijken van tentoonstellingen, is dat je deze criteria nodig hebt. Hoe scherper ze zijn, des te meer kun je je inlaten met de tentoonstelling. Dat doe je namelijk op een antagonistische manier. Het probleem van ontgrenzing en hybridisering is het verdwijnen van het antagonisme. Het gebaar dat een tentoonstelling maakt, misschien met een heel nauwkeurig argument, kan niet meer als zodanig worden waargenomen omdat er geen context meer is om het te decoderen.
De behoefte om disciplines te overschrijden moet volgens mij binnen de context van een veel breder probleem worden geplaatst. Ontgrenzing maakt deel uit van een algemene emancipatorische tendens. We bevrijden ons van een disciplinair regime. Tegelijk behoort het tot een bepaalde neoliberale cultuur: wat je ook wil zeggen, je mag het zeggen. Maar uiteindelijk blijft je uitspraak zonder betekenis.'

Hoe zouden, in deze constellatie, de bestaande instituties moeten worden hertekend?

Franke: 'Vele podiumkunsthuizen, maar ook Extra City, zijn instituties die doen alsof ze geen instituties zijn. Ik ben een groot voorstander van het niet doen alsof. De anti-institutionele impuls bevalt me niet. Het maskeert institutionele relaties, in plaats van ze echt ongedaan te maken.
De huidige instituties zijn wellicht nog steeds door heel oude regels bepaald. Wat mij hoe langer hoe duidelijker wordt, is dat er in het theater heel andere regels van toepassing zijn dan in de beeldende kunst. Theater vindt zijn oorsprong in een sociaal marginale activiteit. In de middeleeuwen leidden acteurs een nomadisch bestaan. De prijs die ze betaalden voor hun mimetische mobiliteit was dat ze als outcasts moesten rondtrekken. Ook bij Plato vind je hetzelfde oordeel. De mimeticus wordt buitengezet uit de staat, omdat hij de orde in gevaar brengt. Die mentale mobiliteit is verbonden met een tomeloze energie, waarvan de geschiedenis van het toneel doordrongen is. De energie van het volkse en van de onmiddellijke respons. Dat is heel verschillend van de aristocratische, zelfs snobistische oorsprong van de beeldende kunst. Daar draait alles om het lezen van allegorieën, om intellectuele en esthetische verfijning.
Het verschil tussen theater en beeldende kunst leeft vandaag nog steeds. Er bestaat bijvoorbeeld nog altijd geen institutie die beide tradities omarmt. De reden daarvoor is onder meer dat een museum, een centrum voor hedendaagse kunst, een Kunsthalle of wat dan ook, nog steeds deze snobistische codes moet reproduceren om zijn gebaren zinvol te maken. Het theater daarentegen heeft altijd iets ruw. Theater heeft het recht om stupide en vulgair te zijn. De beeldende kunst zou geschonden worden als ze helemaal met theater samensmolt. Het heilige masker zou afgerukt worden.'

In de inleidende tekst bij Mimétisme is een sterke ondertoon van subversie aanwezig. Het mimeren heeft een kritisch potentieel. Hoe wordt het subversieve gebaar van oudere kunstwerken bewaard? Komt dat nog tot leven in een tentoonstelling van vijftien of twintig jaar later?

Franke: 'Ik geloof absoluut dat het subversieve bewaard blijft. Dat is een vraag waarmee ik vaak worstel. In een tentoonstelling zoals deze tracht ik een constellatie tot stand te brengen die de bezoeker in staat stelt om zich het subversieve ogenblik mimetisch opnieuw toe te eigenen.
We hadden zelfs een hele afdeling van de expositie kunnen wijden aan de mimetische toe-eigening van het verleden, zoals in de 're-enactment'-stroming. Denk aan de film Intervista van Anri Sala (1998). Hij had een filmfragment ontdekt waarin zijn moeder voor de communistische jeugdbeweging in Albanië een toespraak houdt. Maar de geluidsband was verloren gegaan. Dus laat hij een liplezer analyseren welke woorden ze uitsprak, en daarna confronteert hij zijn moeder met de beelden én de woorden die ze zelf vergeten was. Het is duidelijk dat het hier om mimesis gaat, en meer bepaald om een mimetisch herbegrijpen van het verleden.
Waarom kunnen de werken van Ria Pacquée (of andere historische werken) nu nog van tel zijn? Omdat ze verband houden met het toenemende onvermogen om impliciete achtergrondcondities te expliciteren. Ontgrenzing en interdisciplinariteit zorgen ervoor dat men meer en meer zaken als vanzelfsprekend aanneemt. En alle verantwoordelijkheid wordt daarbij naar het kiezende subject gedelegeerd. De socioloog Alain Ehrenberg maakt een cruciaal onderscheid tussen twee regimes: het disciplinaire regime en het regime van de mogelijkheid. Volgens hem is het disciplinaire regime gebaseerd op het onderscheid tussen "verboden" en "toegestaan". De mentale pathologie die daarmee verbonden is, is de neurose. Dat is de narratieve ziekte, of de ziekte van het verlangen. Je kunt niet doen wat je moet doen. Het gevolg is een neurotische relatie tot de werkelijkheid, waarin je bijvoorbeeld overal getallen begint te zien. Dit regime werd opgevolgd door het regime van de mogelijkheid, dat op basis van het onderscheid tussen "mogelijk" en "onmogelijk" functioneert. Als er binnen dit kader iets onmogelijk is, kun je niet langer de staat, de school of de institutie verantwoordelijk stellen - alleen jezelf. Jij bent degene die het niet aankan. Op die manier analyseert Ehrenberg hoe neurose als massafenomeen verschoof naar depressie. Depressie is de ziekte van de onmogelijkheid: niet weten waarom men iets niet kan volbrengen. Vandaag stelt zich dan ook de vraag hoe we deze tendens naar privatisering en massale internalisering, een halt kunnen toeroepen.'

Is performancekunst niet een perfect voorbeeld van een subversieve kunstvorm die dreigt noch in het theater, noch in de beeldende kunst een plek te vinden? En dus misschien gedoemd is tot een voortbestaan in onderzoekstentoonstellingen, zoals Mimétisme?

Franke: 'We moeten zeker nadenken over hoe we zorg kunnen dragen voor de geschiedenis van performancekunst. Die zorg ligt niet alleen bij tentoonstellingen zoals deze. Geschiedenis is meer dan een tentoonstelling. Het zou mooi zijn als we met het materiaal van Mimétisme bijvoorbeeld een omvangrijk boek zouden kunnen maken.
Daarnaast is er wel een soort plek denkbaar waar de geschiedenis van de performancekunst aandacht zou krijgen of neergeschreven worden: een archief. Maar een institutie zoals Extra City ontbreekt het voorlopig nog aan die cruciale dimensie en vooral de financiële middelen die met een archief gepaard gaan. En dit soort tentoonstellingen kunnen geen substituut vormen voor het archief. We moeten nieuwe instituties uitvinden, bijvoorbeeld "het instituut van het lichaam", of "Technologieën van het Lichaam".'

Ben je niet bang dat er zich al gauw een canon van het lichaam zou vormen?

Franke: 'Ben jij bang van de canon?'

Niet noodzakelijk, maar veel performancekunstenaars wilden helemaal niet gearchiveerd worden. Misschien wordt hun hele gebaar wel geneutraliseerd indien het opgenomen wordt in een museum. Binnen de thematische, eerder 'kronkelende' benadering van een tentoonstelling zoals Mimétisme, kan dat beter tot zijn recht komen.

Franke: 'Bij de uitvinding van zo'n nieuw instituut mag het absoluut niet om een museum gaan. Want de instituties die performances registreren en archiveren, fungeren als auteur van het werk. Uiteindelijk wordt er werk geproduceerd in functie van het archief. De geschiedenis wordt gekannibaliseerd door het archief, maar ook de toekomst wordt gekannibaliseerd op een bepaalde manier.'

(Antwerpen, 25 januari 2008 - Deze tekst verscheen ook in het tijdschrift HART nr. 32)

(Thomas Crombez is als onderzoeker verbonden aan het Departement Letterkunde van de Universiteit Antwerpen; Anselm Franke is directeur van het Centrum voor Hedendaagse Kunst Extra City)

 

>> Dossier 'Beeldende Kunst & Podiumkunsten'

Een interview met Anselm Franke over ‘hybridisering’