Het speelvlak tussen beeldende kunst en podiumkunsten
Voorwoord in Courant #84
Dirk De Wit
Het Leuvense kunstencentrum STUK nodigde het Vlaams Theater Instituut en het Instituut voor Beeldende, Audiovisuele en Mediakunst uit om op 8 november 2007 een gezamenlijk symposium te organiseren. En dit naar aanleiding van het nieuwe internationale festival Playground, dat de overlap van disciplines als beeldende kunst, dans en podiumkunsten thematiseert. In het kielzog van deze studiedag kwam ook deze Courant tot stand.
Sommige makers bewegen zich vandaag vrijelijk tussen verschillende disciplines en kiezen voor onverwachte interdisciplinaire samenwerkingsrelaties. Voor kunstenaars zijn deze ontwikkelingen evident en behoren tot de tijdsgeest waarin ze leven en werken. Toch rijzen er ook heel wat vragen bij kunstenaars, bij programmatoren en curatoren - en bij de overheid. Hoe en waar kunnen kunstenaars deze atypische creaties ontwikkelen en vertonen? Hoe kunnen de cultuurhuizen deze werken adequaat ondersteunen? En beschikt de overheid hiervoor over de juiste subsidie-instrumenten en beoordelingsexpertise?
Deze discussie sluit ook aan bij de recente veldanalyse van de podiumkunsten (Metamorfose in podiumland) en bij het masterplan voor de dans die het VTi heeft uitgegeven - meer bepaald bij de term 'hybridisering' die erin wordt gelanceerd om die 'mengvormen' en praktijken aan te geven waarbij geput wordt uit verschillende disciplines. Daarnaast houdt deze discussie ook verband met de studie rond e-cultuur, waarin werd vastgesteld dat kunstenaars samenwerken met andere sectoren als vormgeving, wetenschap en technologie.
Vanuit de beeldende kunst werd de focus op hybridisering met gemengde gevoelens ontvangen. Deze praktijken tussen podiumkunsten en beeldende kunst worden als nieuw voorgesteld, terwijl er in de jaren 1990 reeds op werd gefocust door het exploreren van een term als performativiteit. In de beeldende kunst bestond de performance gedurende de hele twintigste eeuw, denken we maar aan de futuristen, dada, Fluxus, of aan de geschiedenis van het Antwerpse ICC, tot en met tentoonstellingsinitiatieven als This is the show and the show is many things in het Gentse S.M.A.K. Het ging om acties om de kunst dichter bij het leven te brengen, om aan institutionele kritiek te doen, om het lichaam te bevragen, enz. Of denken we aan beeldend kunstenaars die andere disciplines gebruiken om kunst te maken: lecture performances, happenings, muziek- en geluidsinstallaties, kunstenaars die rond architectuur werken, kunstenaars die gebruik maken van film en video, kunstenaarsboeken, internetkunst, enz. Op deze manier proberen kunstenaars bepaalde thema's en inhouden zichtbaar te maken. Het gaat dus om een strategie en vertrekt vanuit een inhoudelijke bevraging, eerder dan het zoeken naar een mengvorm.
Dit brengt ons bij een volgende punt: er zijn meerdere manieren om met verschillende disciplines te werken en daar zijn telkens andere redenen voor. Je kunt als kunstenaar verschillende disciplines beoefenen. Je kunt binnen een discipline met andere disciplines werken om daar vanuit een ander standpunt over te reflecteren of als strategie om thema's te articuleren. Of je kunt vanuit verschillende disciplines samenwerken aan een onderwerp om verschillende inzichten te koppelen, wat kan leiden tot nieuwe uitdrukkingsvormen. Je kunt natuurlijk ook de disciplines zelf in vraag stellen als een reeks 'disciplinaire regels' en die proberen te overstijgen. Multidisciplinair, interdisciplinair, transdisciplinair of in-disciplinair. De 'overlap' of het 'speelveld' tussen disciplines kan verschillende vormen aannemen en daar kunnen heel andere intenties en strategieën achter zitten.
Het samen organiseren van zo'n symposium door VTi, BAM en STUK roept interessante vragen op: Hoe kan de geschiedenis ons helpen bij het valoriseren van de kunstwerken van vandaag? Zijn kunstenaars met een achtergrond in theater en dans zich bewust van die geschiedenis? En kan de kennis en geschiedenis van één discipline vruchtbaar zijn voor een andere, of bewandelen we parallelle sporen? Sprekers Johan Pas en Ann Demeester hebben tijdens de studiedag die historische context aangekaart (lees ook 'Bezette stad' van Johan Pas en '"Supradisciplinair" werken in de Appel' van Ann Demeester).
Daarnaast moeten we ons de vraag stellen of je die problematiek van cross-over behandelt vanuit vorm of inhoud. Het zijn de vormelijke eigenschappen die instituten en subsidiesystemen uitdagen omdat die net gebouwd zijn op de categorisering in disciplines. Organisaties trachten momenteel hun ruimtes en programmaconcepten creatief aan te pakken om nieuwe kunstvormen te tonen: de black box-voorstelling versus de tentoonstelling, de white cube-ruimte, die gewoon open is. Makers en producenten stappen buiten de grenzen van hun disciplines. En men zoekt er nieuwe namen en categorieën voor. De term 'hybride' of 'mengvorm' verwijst naar het moeilijk herkenbare en het 'tussen' verschillende disciplines. Het is een heel efficiënte term omdat deze uitdrukking geeft aan transities in het kunstenlandschap die iedereen herkent. Maar het is een blik op die nieuwe praktijken vanuit het systeem (het systeem van de organisatiestructuren of het subsidiesysteem). Als we daarentegen kijken naar de inhoud en hoe en waarom kunstenaars met die verschillende disciplines omgaan om iets te articuleren, dan lijken termen als 'hybride', 'tussenvorm' of 'mengvorm' eerder vaag. Kunnen we deze praktijken niet benaderen vanuit de maatschappelijke en culturele context waarin kunstenaars werken en die hen aanzet om anders met disciplines om te gaan? Een andere omgang met tijd, ruimte, openbaarheid, lichaam, relatie met de toeschouwer, massamedia en noem maar op.
Dit brengt ons bij de vraag of multidisciplinaire organisaties beter uitgerust zijn om deze kunstvormen te presenteren dan monodisciplinaire organisaties. Organisaties die multidisciplinair werken hebben kennis uit verschillende disciplines in huis die samengebracht kan worden in thematische programma's of mini-festivals. De programmatoren dans, theater, muziek en/of beeldende kunst werken samen en koppelen kunstwerken uit verschillende disciplines of moeilijk klasseerbaar werk. Dat zien we onder andere gebeuren in Buda, Vooruit, STUK, enz. Maar ook monodisciplinaire en onderzoeksgerichte vertoningsplekken zijn in staat om stil te staan bij de strategieën en inhoudelijke drijfveren van die cross-over en samenwerking. Niet door probleemloos te surfen tussen disciplines en verschillende kunstwerken te 'mengen', maar door het articuleren van die strategieën van cross-over in precies uitgekiende en onderbouwde programma's of tentoonstellingen. De tentoonstelling Mimétisme van Anselm Franke in Extra City is daar een goed voorbeeld van. Het blijft uiteindelijk de opzet en uitdaging om een platform te bieden aan goede kunst van vandaag en deze juist te contextualiseren, los van vormelijke criteria.
(Dirk De Wit is directeur van BAM, Instituut voor Beeldende, Audiovisuele en Mediakunst)
Bron: Courant #84 (www.vti.be/courant84)
>> Dossier 'Beeldende Kunst & Podiumkunsten'
