Pragmatisch beleid voor monsters en mutanten(*)
Jos Van Rillaer over het effect van de hybridisering op het Vlaams cultuurbeleid
Ann Olaerts en Dirk De Wit
Om erkend te worden binnen het Kunstendecreet moeten producenten zich tot een van de traditionele disciplines bekennen. Bovendien worden hun aanvragen beoordeeld door disciplinaire beoordelingscommissies. Is het Vlaamse kunstenbeleid wel voldoende gewapend om met de toenemende interdisciplinariteit om te gaan? We vroegen het aan Jos Van Rillaer, administrateur-generaal van het Agentschap Kunsten en Erfgoed.
In Engeland ontwikkelde de Arts Council een programma voor Combined Arts. In Nederland is er de Interregeling. We hebben in Vlaanderen niet echt een speciale regeling voor artistieke cross-overs en mengvormen. Komt de Vlaamse regelgeving, zoals ze vandaag bestaat, wel voldoende tegemoet komt aan de vragen uit de artistieke praktijk?
Jos Van Rillaer: 'Voor de duidelijkheid moeten we eerst naar de definities kijken. De Nederlandse Interregeling (lees meer over de 'Interregeling') gaat over digitalisering en technologie. Combined Arts beslaat een veel breder terrein (lees meer over 'Combined Arts'). Bepaalde stukken daarvan worden zeker bestreken door het Kunstendecreet. En dan heb je nog de discussie over de 'mutanten' en de 'monsters'(*) - over de eigenlijke interdisciplinariteit. Dit zijn drie verschillende zaken die elk een andere invalshoek vragen.
Wat de nieuwe technologische middelen betreft, heeft het Ministerie van Cultuur, Jeugd, Sport en Media - zowel het Departement als het Agentschap Kunsten en Erfgoed - bij de Minister gepleit om een apart accent te leggen, naast de kaderdecreten die er bestaan. Vanuit de beleidsvorming hebben we gewerkt rond e-cultuur, een terrein dat in Vlaanderen nog in een pioniersfase zat en bijzondere aandacht moest krijgen. Hier moet beleidsvorming rond gebeuren, met ook financiële consequenties. Dat discours hebben we gedurende twee jaar met de Minister gevoerd en principieel gaat hij daarin mee. In de beleidsbrief die eind 2007 aan het parlement voorgelegd werd, is e-cultuur een apart thema, met een eigen onderzoeksbudget. Samen met BAM blijft de administratie vragende partij om daar grotere consequenties - ook financieel - aan vast te knopen, zoals een cartografie van lopende initiatieven en steun voor meer projecten.
De interdisciplinariteit moeten we bekijken vanuit de pragmatiek van het Kunstendecreet. We hebben nu een vierjaarlijkse en twee tweejaarlijkse rondes meegemaakt. Het is dus nog een pril decreet. Op basis van de ervaring van de beoordelingscommissies, de overkoepelende adviescommissie en de administratie kunnen we al constateren dat het Kunstendecreet een flexibel instrument is. Voor zover wij daar zicht op hebben, kan het decreet nieuwe ontwikkelingen zonder veel problemen een plaats geven. Wat de 'mutanten' betreft, speelt het principe dat organisaties vrij zijn om aan te geven wat voor hen hoofdzaak of bijzaak is. Dat is een goede oplossing. Met betrekking tot de 'monstertjes' ligt het moeilijker. Dat is een meer recente evolutie. We denken dat de overkoepelende adviescommissie in de toekomst meer gebruik zal moeten maken van één instrument binnen het decreet, namelijk het installeren van een ad hoc commissie voor moeilijk te plaatsen aanvragen. Het decreet laat dit toe. Het zou je perfect toelaten om nieuwe vormen te beoordelen. Dat dit nog niet gebeurd is, komt volgens mij doordat er nog te weinig 'monstertjes' zijn. Ik neem wel aan dat dit fenomeen gaat groeien. Volgens mij hebben we dus geen extra regelgeving nodig. Het is vandaag goed mogelijk om op een pragmatische manier met interdisciplinariteit om te gaan.'
Is het toch niet zo dat het decreet interdisciplinaire praktijken in de weg staat? Organisatievormen worden vooral disciplinair benoemd en de commissies worden tot nu toe nog altijd disciplinair samengesteld.
Van Rillaer: 'Ik denk niet dat het decreet een rem is. Ook in het beleid zie je praktijken verschuiven. Bijvoorbeeld bij de laatste tweejarige ronde constateer ik dat men de corporatistische reflexen achterwege heeft gelaten en dat men inderdaad vanuit het globale kunstendecreet begon te redeneren. Ik juich dat toe en denk dat deze evolutie alleen maar versterkt gaat worden.
Tegelijk moet de hybridisering in de kunsten gerelativeerd worden. Die is nog lang niet de dominante realiteit. De subsectoren zijn nog heel belangrijk; ze kleuren het kunstenveld heel duidelijk. Wel is de hybridisering een nieuwe tendens die aan belang wint. Maar ik merk dat de beoordelingscommissies daar nogal soepel mee omgaan. Het is ook niet zo dat alle commissies categoriale commissies zijn. De beoordelingscommissies voor kunstencentra en festivals zijn multidisciplinair. Daar is discussie over. Men zou kunnen overwegen om die commissies meer te specialiseren op multidisciplinaire invalshoek, en de monodisciplinaire projecten bij de verschillende sectorale commissies onder te brengen. Dan krijg je beoordelingscommissies die heel specifiek expertise ontwikkelen over de meer complexe vormen van dossiers. Het huidige legale kader laat volgens mij die evolutie toe.'
Men zou een stap verder kunnen zetten en de huidige, toch hoofdzakelijk disciplinair samengestelde commissies loslaten om vanuit een flexibele advisering te werken. Uit een grotere pool van experts zou je dan 'à la carte' een commissie kunnen samenstellen. Is dat in de toekomst een mogelijkheid?
Van Rillaer: 'Mijn houding is vandaag pragmatisch. Het Kunstendecreet is nog zo jong. Maar ik denk ook dat we de discussie moeten aangaan over de manier waarop we beoordelen. Dat moeten we heel grondig evalueren. En dat moeten we nu doen, daar ben ik het volkomen mee eens. Maar er zal opnieuw een vier- en een tweejarige ronde zijn in 2009. Pas in de nieuwe legislatuur gaan we naar een echt grondige evaluatie van het instrumentarium. Pas na twee vierjarige rondes kun je je met meer gewicht uitspreken over het flexibele en het non-flexibele in het decreet. Er zijn wel een aantal zaken waarover we nu al praten, bijvoorbeeld de denkoefening om kunstenaars meer mogelijkheden te geven. We gaan naar een vereenvoudiging van het systeem van beurzen en projecten.'
Is er vandaag voldoende expertise aanwezig op het vlak van die monstertjes? Er is zeker moeite gedaan om de disciplinaire kennis bij de commissies op te rekken, door mensen bij in de commissie te vragen. Maar projecten beoordelen die weinig herkenbaar zijn vanuit een discipline, dat blijft zeer moeilijk en vergt een eigen interdisciplinaire expertise. Het is niet altijd duidelijk vanuit welk referentiekader dat je eigenlijk zo'n project moet kunnen beoordelen. Elders in Courant wordt gezegd dat het publiek toch vaak met een bepaald verwachtingspatroon komt kijken. Geldt dat ook niet voor commissies?
Van Rillaer: 'Die opdeling leeft inderdaad heel sterk. Tegelijk moeten we beseffen dat de bestaande commissies vandaag al een zekere diversiteit in de rangen hebben. Vanuit een brede achtergrond durven ze over de haag van de eigen discipline te kijken.
Maar het klopt: we moeten die expertise regelmatig vernieuwen. Daar heb je twee niveaus in. Om te beginnen kun je binnen het format van het huidige decreet werken. Daar kan je al min of meer iets in optrekken in het najaar van 2008, want dan is er een rotatie van expertise. Het is iets anders om het huidige format te veranderen. Dat zal er hoe dan ook moeten van komen, denk ik, willen we de actuele evoluties beleidsmatig vertalen. Maar ik denk niet dat dit voor op korte termijn is.'
(*) Klik hier voor een heldere verklaring van de termen 'monsters' en 'mutanten' in de tekst van Elke Van Campenhout.
Deze tekst is een neerslag van het debat over hybridisering en kunstenbeleid dat Ann Olaerts en Dirk De Wit met Jos Van Rillaer voerden op het colloquium 'Het speelveld tussen beeldende kunst en podiumkunst', STUK Leuven, 8 november 2007.
Bron: Courant #84 (www.vti.be/courant84)
(Ann Olaerts is directeur van het Vlaams Theater Instituut; Dirk De Wit is directeur van het Instituut voor beeldende, audiovisuele en mediakunst; Jos Van Rillaer is administrateur-generaal van het Agentschap Kunsten en Erfgoed)
>> Dossier 'Beeldende Kunst & Podiumkunsten'
