zoek

reactie Filip Luyckx

14/02/2008

Standpunt kunstenaarsvergoedingen
Een keuze tussen een eenzijdig syndicalisme en een samenhangende visie

Filip Luyckx

De inhaalbeweging voor de beeldende kunstensector in Vlaanderen is nog lang niet voltooid, of sommige kunstenaars leveren zelf ammunitie aan de politieke wereld om het opgroeiende kind omwille van zijn groeikrampen maar met het badwater weg te gooien. De publieke opinie krijgt het beeld voorgeschoteld dat kunstenaars enkel maar op overheidscenten uit zijn en dat kunstinstituten voor geen zier te vertrouwen vallen. Welk soort toekomst wordt daarmee voor de kunstwereld beoogd?

Vooreerst valt op dat een aantal instituten en curatoren - al of niet publiekelijk - blijven stellen dat een kunstenaar niet zou moeten vergoed worden door die instituten en curatoren. Die vergoedingen vallen in twee onderdelen uiteen: de productieondersteuning enerzijds en het honorarium plus sociale bijdragen anderzijds. Over dat laatste valt mijns inziens gewoonweg niet te discussiëren. De wet dient onverkort toegepast te worden. Het kunstenaarsstatuut is een feit. Bovendien koppelt de subsidiërende overheid duidelijke voorwaarden aan het verlenen van de subsidies: een deel van de gelden moeten worden aangewend voor honorarium én productie. Het zou in de meeste - zoniet alle - overheidssectoren onvoorstelbaar zijn dat deze voorwaarden door de ontvangers niet zouden worden nageleefd. Wie ziet al een aannemer, een schooldirectie of een bedrijf op eigen initiatief de opgelegde voorwaarden wijzigen zonder daarbij sancties en publieke afkeuring op te lopen? De administratie der kunsten, het Rekenhof en de belastingdiensten houden terecht een oogje in het zeil bij de boekhouding van de kunstinstituten. Wie de formele regels al te gortig met de voeten treedt, moet geen aanspraak kunnen maken op overheidsfinancies. Wat in andere overheidssectoren niet kan, mag ook in de kunstensector niet getolereerd worden. De adviezen van de administratie moeten ten volle ernstig worden genomen. Hoe ontoereikend de subsidies ook zijn, de artistieke werking kan niet uitgebreid worden ten koste van de correcte betaling van kunstenaars, personeel, leveranciers, freelance medewerkers, ... Het in stand houden van een grijze zone werkt alleen als een boemerang tegen de hele kunstensector. Het verklaart de blijvende frustraties van kunstenaars en anderen. Geen enkel artistiek argument mag opwegen tegen het niet naleven van de democratisch gestemde regels. Anders zijn we aardig op weg om de kunstensector een uitzonderingspositie te gunnen, wat in tegenspraak is met het discours binnen de kunsten zelf dat aansluiting zoekt met de brede maatschappij, het dagelijkse leven, de emancipatie van marginale groepen.

Voor een vastbesloten overheid moet de correcte uitvoering van de kunstenaarsvergoedingen gemakkelijk afdwingbaar zijn, desnoods door de terugvordering van (een deel) van de subsidies. Eenmaal dat een feit, lijkt het me logisch dat instituten meer middelen krijgen om hun werking en kunstenaars te ondersteunen. De overheid en belastingbetaler verkiezen immers met de immer schaarse middelen een zekere kwaliteit van kunstenaars te subsidiëren, die bovendien het geïnteresseerde publiek kennis laten maken met de resultaten van hun activiteit. Dat laatste punt is al meteen een feit bij die kunstenaars die met een instituut samen werken. Bovendien zorgt het instituut bij monde van zijn artistieke medewerkers voor een minimale kwaliteitswaarborg. Bijdragen die rechtstreeks aan kunstenaars worden toegekend moeten daarentegen voor een adviescommissie verschijnen, uiteraard zelf een beperkte groep mensen die met de consensus en het compromis moeten werken. Ze zijn onderhevig aan tijdsdruk en bergen informatie. De brede waaier van curatoren kan vaak veel grondiger op de zaken ingaan en zelfstandiger bepaalde keuzes maken. Dat komt de diversiteit van het kunstenlandschap en het nemen van risico's ten goede. Samenwerking met een instituut zou voor de kunstenaar een publieksmoment moeten inhouden, een publicatie, technische ondersteuning en dialoog met een curator. De kunstenaar blijft met zijn subsidie niet in zijn ivoren toren achter.

Kunstinstituten klagen terecht dat de kunstenaarsvergoedingen een grote hap uit het budget nemen, vooral bij groepstentoonstellingen. Naast een verhoging van de middelen zou er minder nadruk moeten worden gelegd op het grote aantal tentoonstellingen, want pers en kunstpubliek kunnen dat al lang niet meer bijbenen. Waarom zou een kunstenaar vijf keer per jaar tentoonstellen als één tentoonstelling hem/haar al meer faciliteiten, vergoeding en uitstraling zou opleveren? Dus verkiezen we kwaliteit boven kwantiteit. Het toekennen van productievergoedingen is een ander verhaal. De meeste instituten zijn het erover eens dat typisch plaatsgebonden ingrepen moeten worden vergoed. Daarnaast zijn er hele groepen van kunstenaars die over weinig middelen beschikken om vaak dure producties te verwezenlijken. Zonder actieve ondersteuning van instituten en/of overheid zouden die kunstwerken weinig kans maken. Het meenemen van de werken na afloop van de tentoonstelling mag niet als schaamlap dienen om ze een honorarium te ontzeggen. Met die werken betaal je immers geen levensonderhoud en de onmiddellijke verkoopsvooruitzichten zijn vaak minimaal.
Ten slotte is er een groeiende groep van kunstenaars die op relevante verkoop van hun werk kan bogen. Die groep is vaak weinig vragende partij naar productieondersteuning of zelfs een honorarium (dat verwaarloosbaar blijft in vergelijking met hun commercieel succes). Dat neemt niet weg dat ze wel veel belang hechten aan institutionele samenwerking, met bijzondere aandacht voor de technische omkadering, publiekswerking, het publicatiebeleid en last but not least de netwerking. Ook de succesvolle kunstenaars hebben recht op een honorarium, omdat de overheid dat nu eenmaal oplegt en omdat de uitbetaling ervan een elementaire vorm van respect is (naast andere) voor hun samenwerking. Het vestigt een bepaalde praktijk en betekent een signaal naar de hele maatschappij en het buitenland toe.

De kunstenaarsvergoeding is voor de kunstenaar van betekenis op het moment van tentoonstellen. Voor wat hoort wat, en de gepresteerde tijd is onomkeerbaar. Een student bedrijfsmanagement wenst ook als jobstudent zijn loon te ontvangen, ondanks alle riante beroepsvooruitzichten. Maar van daaruit de volle nadruk leggen op de honoraria, de productievergoedingen en de kunstenaarsbeurzen ten nadele van de kunstinstituten moet wel leiden tot een erg eenzijdige kijk op een kunstenaarsloopbaan. Vooreerst mogen we in het hele debat niet vergeten dat de instellingen er evenzeer zijn ten behoeve van het publiek, het wetenschappelijke onderzoek en de bewaarfunctie. Maar ook voor kunstenaars kunnen kunstinstituten zoveel doen dat kunstenaars niet gemakkelijk alleen kunnen. We noemen op:
- een grotere productiesteun en betere technische uitrusting;
- meer promotie voor de tentoonstelling (advertenties bijv.);
- een gedegen publicatiewerking (met meer professionele vertalingen en bijdragen van buitenlandse critici; met motiverende honoraria voor tekstschrijvers en kunstvertalers).

In het hele kunstendebat wordt er meestal voorbijgegaan aan de positie van ervaren tekstschrijvers, ervaren kunstvertalers en gastcuratoren. De hele kunstwereld heeft er belang bij dat er een aantal bekwame individuen hun loopbaan volwaardig in die richting kunnen uitbouwen. Indien kunstenaars, instituten en overheid competente mensen op deze terreinen wensen in te schakelen, moeten ze hen ook eerlijk vergoeden en voldoende mogelijkheden aanbieden binnen hun activiteitenkader.
Uit eigen ervaring stellen we vast dat jonge kunstenaars die zich weten te onderscheiden de lat van meet af aan hoog leggen voor de instituten, waar ze al vroeg tentoonstellen. Het internet, de reismogelijkheden en de verbetering van het kunstonderwijs zijn daar wellicht niet vreemd aan. Ze wensen haast nog uitsluitend te exposeren op plekken die tevens een vorm van internationale werking ontplooien: een buitenlands programma, vertalingen, het uitbouwen van een internationaal netwerk. Dat confronteert de kleinere instellingen al met een verhoogde druk indien ze alleen maar het niveau van hun binnenlands programma wensen te handhaven. Deze kunstenaars hebben een bredere ambitie dan zich louter staande te houden door het opstrijken van tentoonstellingshonoraria. Dat is ook logisch, want het vooruitzicht om een hele kunstenaarsloopbaan uit te bouwen op basis van kunstenaarsvergoedingen is weinig realistisch en weinig aantrekkelijk. Hoeveel honorarium dekt redelijkerwijs alle levensbehoeften? Zelfs één bedrag van 1000 Euro per maand en twaalf tentoonstellingen (!) per jaar zou maar dicht tegen het levensminimum aanzitten. Hoe lang zou deze intense tentoonstellingsactiviteit wel moeten aanhouden? Twee jaar? Vijf jaar? Een decennium? Levenslang? Dat bestaat gewoon niet. Dan veronderstellen we nog dat de kunstenaar alleen in landen zou tentoonstellen waar ze royaal met kunstenaarsvergoedingen gooien. Met de toenemende globalisering zullen sommigen tentoonstellen in Turkije, Rusland en China, waarbij ze meestal al voor de eigen reiskosten zullen mogen opdraaien. Laat staan dat er in armoestaten en conflictgebieden veel te rapen valt. Een heerlijke maaltijd en een comfortabel bed zullen al ruimschoots volstaan om de curator de hemel in te prijzen. Nochtans tellen zulke tentoonstellingsplekken mee in een internationale cv. Wie zal blijvende productiesteun en promotie verzekeren na afloop van de tentoonstelling? De curatoren moeten zich immers toeleggen op de continuïteit van het programma. Hoe invloedrijker de curator, hoe meer zijn aandacht verdeeld is over duizend-en-één zaken.

Het uitspreken van het verlossende woord geldt nog steeds binnen een deel instituten en kunstenaarslobby's als een heiligschennis, maar het moet er door: GALERIES. In een vrijemarkteconomie leeft een kunstenaar ofwel van privé-verkoop, ofwel van lesgeven én publieke opdrachten. (Tenzij gekozen wordt voor een niet-artistieke beroepsactiviteit, maar hoe internationaal kan de kunstenaar dan nog werken?) Beide vormen zijn respectabel en hebben hun eigen voor- en nadelen.
Galeries leggen de verbinding met de private wereld. Het negeren van de private component in het kunstendebat door overheid, instituten en bepaalde kunstenaarsgroepen maakt het inkomensprobleem en vele andere kunstenaarsmateries onoplosbaar. Galeries zijn meer dan geldezels voor kunstenaars (in feite brengen enkel de verzamelaars geld in het laatje). Ze bieden tentoonstellingen aan, netwerking, promotie, aanspreekpunten, archivering, productiesteun en adviezen, of zouden dat althans allemaal kunnen doen. Ze volgen de kunstenaar gedurende langere tijd en coördineren vaak zijn publieke werking. Er zijn ontelbare schakeringen van galeries. De aanwezigheid van zulke instellingen in een land vormt een troef voor de kunstwereld. Ons land is naast zijn kunstenaars vooral bekend voor zijn verzamelaars en galeries. Het wordt hoog tijd om in het kunstendebat het gesprek aan te gaan met de private component van de kunstwereld.

Dat neemt de druk op de instituten voor meer middelen niet weg, integendeel. In toenemende mate verwacht de kunstenaar met ambitie dat het instituut een handje toesteekt bij de nawerking van zijn tentoonstelling. Hij wenst verder geïntroduceerd te worden bij andere musea, critici en bij galeries. (Meestal werkt het zo.) Met expositiemogelijkheden ontstaat er contact met een specifiek publiek voor zijn werk, uitzicht op productiemiddelen, intellectuele verdieping en tal van stimulansen. Netwerking door de curator is voor de beginnende kunstenaar belangrijker dan het opstrijken van een eenmalig honorarium, dat hoe hoog ook steeds ontoereikend zal blijven in verhouding tot alle geleverde inspanningen. Daarnaast zijn in instituten nog tal van andere mensen werkzaam die evenzeer de kunstenaar kunnen verrijken op technisch, financieel, grafisch en communicatievlak. Al is de kunstenaar van nature een wonderkind, hij zal alleen via een leerproces aan zijn werk de juiste plek kunnen geven in de maatschappij. Abraham haalt ergens zijn mosterd vandaan.
Op zich is het een goede zaak dat curatoren en instituten voor kunstenaars meer betekenen dan een tentoonstellingsmachine, waar de kunstenaar zijn honorarium opstrijkt en daarna de deur achter zich dicht slaat. Curatoren organiseren ook externe tentoonstellingen, publiceren, geven adviezen, formuleren voorstellen. Zelfs als ze dat niet allemaal doen, ontmoeten ze net als kunstenaars enorm veel kunstpubliek dat voortdurend naar meningen hengelt. De verbondenheid blijft na afloop van een tentoonstelling meestal een beetje bestaan.

Al zullen curatoren ten behoeve van kunstenaars nooit de netwerktaak van galeriehouders kunnen overnemen - hun taak ligt ook grotendeels op inhoudelijk en organisatorisch vlak - ze kunnen beginnende kunstenaars wel een flink eind vooruit helpen. Al worden de kunstenaarsvergoedingen riant, de kunstenaar zal ontevreden blijven over tal van andere aspecten van het instituut. Het gaat niet op om van instituten en hun personeel, van critici en galeries het onderste uit de kan te eisen, indien er geen bijkomende middelen of maatregelen ten gunste van al deze spelers in het veld komen. Die andere spelers staan doorgaans ook dichter bij het publiek dan de individuele kunstenaar, en om dat breder draagvlak is het de overheid nu vooral om te doen. Instituten verdienen meer middelen omdat er op tal van terreinen nog veel werk aan de winkel is. Naast evidente zaken als publiekswerking, infrastructuur en productie die voor verbetering vatbaar zijn, vereist een efficiënte netwerking door instituten dat ze er ook de middelen voor krijgen. Concreet betreft het budgetten voor reizen, vertalingen, honoraria voor auteurs en gastcuratoren, advertenties, permanente vorming enz ... Allemaal taken die niet door de kunstenaar alleen kunnen worden waargemaakt.

Het kunstenaarschap is een sterk individuele keuze voor een sterk individuele weg. Op alle veralgemeningen en denkbeeldige regels bestaan er uitzonderingen en die zijn vaak het interessantst. Sommige kunstenaars kunnen het ook rooien zonder kunstopleiding, zonder galeries en verzamelaars, zonder instituten en zelfs zonder enig honorarium. Een aantal zal het vertikken een degelijk dossier voor werkbeurzen in te dienen of zich aan de minste administratieve rompslomp te onderwerpen. Enkelingen verkiezen het complete isolement boven welk contact ook met administratie, galeries, comités, instituten en andere kunstenaars. Dat is allemaal hun goed recht, maar wellicht zal het dan nog een of andere curator zijn die zulke dossierhatende, solipsistische kunstenaars via zijn instituut in bescherming zal nemen, omdat voor hem de kracht van dat werk primeert boven alle andere overwegingen. Laten we het instituut als artistieke vrijplaats tegelijk bekritiseren en koesteren.

 

>>Terug naar dossier 'steun aan kunstenaars'