article
Op 14 september 1972 zond de toenmalige Belgische Radio en Televisie de documentaire De straat uit. De film, gerealiseerd door Jef Cornelis, naar een scenario van Geert Bekaert, in beeld gebracht door Guido Van Rooy en van een klankband voorzien door Pieter Verlinden, thematiseert de verdwijning van de straat als sociale ruimte. Aan de hand van deze televisiefilm kan niet alleen een betoog worden gehouden over de productievoorwaarden in de toenmalige openbare omroep, de bijzondere thema's die Cornelis aansneed en de verrassende beeldtaal die hij voorstond. De film De straat vormt ook een prachtige case om de discussie te openen over de voorwaarden die vervuld moeten zijn om onderzoek en publicaties op te zetten over artistieke en/of culturele artefacten.
Om onderzoek over De straat mogelijk te maken, is het in eerste instantie van belang dat de televisiefilm uit het beeldarchief van de VRT wordt gehaald, dat deze op een duurzame drager wordt vastgelegd en dat op basis van deze duurzame drager kopies aan de onderzoeker(s) ter beschikking worden gesteld. Dankzij de overeenkomsten enerzijds tussen de VRT en argos, het in Brussel gevestigde centrum voor kunst en media, anderzijds tussen argos en de Jan van Eyck Academie (Maastricht), is het mogelijk geworden dat in het laatstgenoemde instituut onderzoek wordt gevoerd over het werk van Jef Cornelis in het algemeen en over De straat in het bijzonder.
Het onderzoek over De straat omvat meer dan een inhoudelijke en stilistische analyse van de film. Ook de ontstaansgeschiedenis en de receptie van de film zijn belangrijke onderwerpen. Om dit soort onderzoek mogelijk te maken, is het van belang om te kunnen beschikken over relevante documenten. Dankzij de bruikleen van het persoonlijke archief van Jef Cornelis aan de Jan van Eyck Academie en de mogelijkheid die de VRT biedt om het 'papieren' archief van de openbare omroep te consulteren, kan de productie en de receptie van De straat in kaart gebracht worden. Daarnaast is ook de maker bereid gevonden om mee te werken aan een oral history over zijn werk.
Ter voorbereiding van het interview over De straat werd het persoonlijke archief van Jef Cornelis en het archief van de VRT uitgeplozen. [1] Maar daar bleef het onderzoek niet toe beperkt. Telkens blijkt dat het nodig is om elders, in andere archieven, te werken. In het geval van De straat was het noodzakelijk om in het archief van het Van Abbemuseum in Eindhoven aan de slag te gaan. Onderzoek in het persoonlijke archief van Jef Cornelis had immers uitgewezen dat hij en Geert Bekaert in contact hadden gestaan met Jean Leering, toenmalig directeur van het Van Abbe en de curator van de tentoonstelling De Straat – Vorm van samenleven (2 juni-24 september 1972). In het archief van het Van Abbe werden niet alleen bijkomende sporen van de Belgisch-Nederlandse contacten teruggevonden, maar ook een briljant plan van Jef Cornelis. In een notitieboekje noteerde Leering: "voorstel Cornelis: continue life-projectie". Cornelis wou niet dat de film De straat vertoond werd in het museum - hij wou vermijden dat de film gebruikt zou worden als illustratiemateriaal. Zijn tegenvoorstel was om de straat in het museum te laten inbreken! Wat voor dit verhaal over onderzoek relevant is, is de simpele vaststelling dat de meest tot de verbeelding sprekende vondst in verband met De straat niet in Cornelis' eigen archief terug te vinden is, maar in een vreemde - in dit geval Nederlandse - opbergplaats.
Vanuit een bepaald archief wordt duidelijk dat de relatie met een ander archief moet worden gelegd. Ook tussen verschillende onderzoeksprojecten kunnen soms relaties worden gelegd die de betekenis van bepaalde archiefstukken kunnen verhelderen. Een ander voorbeeld in verband met De straat maakt dat duidelijk. In een schets van het draaiboek van de film De straat, aangeleverd door Geert Bekaert, lezen we onderaan de bladzijde drie woorden: "Chambord / Keyzerlei (cf. Lamelas)". Het eerste woord verwijst naar het kasteel aan de Loire, het tweede naar de boulevard die loodrecht uitgeeft op het Centraal Station van Antwerpen. Chambord en De Keyserlei komen inderdaad in beeld in de laatste shots van De straat, maar niet - of toch niet 'zichtbaar' - David Lamelas, de Argentijnse conceptuele kunstenaar. Wat heeft Lamelas te maken met De Keyserlei in Antwerpen? Op deze vraag wist ook Jef Cornelis het antwoord niet (meer). Werkzaamheden in een archief ten behoeve van een totaal ander project, namelijk over de galerie MTL, de galerie die gerund werd door Fernand Spillemaeckers van 1970 tot 1977, leverden het antwoord. In het MTL-archief vonden we de uitnodigingskaart van de tentoonstelling van David Lamelas in de Antwerpse Wide White Space Gallery van 31 januari tot 28 februari 1970. [2] Op de voorkant van de uitnodiging prijkt een foto van het Centraal Station van Antwerpen, gefotografeerd vanaf De Keyserlei - een kunstwerk van David Lamelas dat Bekaert en Cornelis klaarblijkelijk heeft geïnspireerd. Onderzoek in functie van een bepaald project kan dus vitale informatie opleveren voor een totaal ander project.
Een relationele benadering - zowel van archieven als van onderzoeksprojecten - blijkt dus de enige zinnige. Deze stelling heeft verregaande consequenties voor een te ontwikkelen beleid inzake archieven - zeker als we daarbij de huidige stand van zaken in Vlaanderen betrekken. Wat is die stand van zaken? Ten eerste stellen we vast dat het archieflandschap in Vlaanderen uiterst versnipperd is. Ten tweede - een logisch uitvloeisel van de eerste vaststelling - dat elk archief, of het nu in particuliere of in openbare handen is, op een eigen, unieke, bijzondere manier geordend is, of helemaal niet geordend is. Overal krijgt de onderzoeker te maken met specifieke - of afwezige - ordeningssystemen. Een derde vaststelling betreft het diepe water tussen particulieren die over een archief beschikken en de openbare instituten die archieven bewaren. Op lokaal of regionaal niveau bestaan er inderdaad heel wat instituten waar particuliere archiefbezitters hun eigendom kunnen deponeren, maar zij doen dat in vele gevallen niet. Waarom niet? Talloze contacten met particuliere archiefbezitters wijzen uit dat zij bijzonder wantrouwig zijn om hun bezit ergens in bewaring te geven. Zij missen betrokkenheid bij hun eigendom, zij vrezen dat hun archieven niet zullen worden ontsloten en dat zij niet op een veilige manier ter beschikking zullen worden gesteld aan onderzoekers, ja, dat hun archief zal worden geplunderd. Bezoeken we deze openbare archieven - in musea en universiteiten, gemeenten en provincies - dan blijkt dat laatstgenoemde angst zeker niet gerechtvaardigd is. In deze openbare archieven treffen we toegewijde en gepassioneerde archivarissen of bibliothecarissen aan. Onderzoekers worden er met open armen ontvangen en begeleid. De archiefstukken zijn - een uitzondering niet te na gesproken - in veilige handen. Dat de particuliere eigenaars van archieven een andere perceptie hebben, is daarom nog geen minder groot probleem.
Als een heus archiefbeleid inzake beeldende kunst op het niveau van de Vlaamse overheid gestalte zou krijgen, en als dat archiefbeleid een institutionele vertaling zou krijgen in de vorm van een sectorinstituut (vergelijkbaar met het Antwerpse Letterenhuis), dan zou dat zeker van invloed zijn op de waarneming van de particuliere eigenaars. Een overkoepelend instituut voor de archivering van documenten inzake beeldende kunst zou niet alleen het gedroomde depot zijn maar tevens standaarden kunnen ontwikkelen in verband met de ontsluiting van documenten. Het zou de plaats kunnen zijn waar onderzoekers hun werk doen en in staat zijn om ter plaatse relaties te leggen tussen de meest diverse archiefbundels: tussen deze van kunstenaars en galeries, tussen deze van curatoren en verzamelaars, tussen deze van tentoonstellingen en critici, tussen deze van fotografen en kunstwerken, tussen deze van galeristen en televisiemakers,… Als deze relaties kunnen worden gelegd omdat de archieven zich op één plaats bevinden en omdat deze archieven op uniforme wijze zijn ontsloten, dan pas kunnen we beginnen dromen van een onderzoeks- en publicatietraditie in Vlaanderen.
Noten:
[1] Koen Brams en Dirk Pültau, "Als het weg is, kan je het niet meer terughalen". Interview met Jef Cornelis over de televisiefilms Mens en agglomeratie (1966), Waarover men niet spreekt (1968) en De straat (1972), in: Open/Cahier over kunst en het publieke domein, nr. 11, 2006. Zie ook http://jefcornelis.janvaneyck.nl/
[2] De onderzoeken over Jef Cornelis en MTL kaderen in het project Naar een andere geschiedenis van de kunst in België van 1945 tot heden. Zie ook Koen Brams en Dirk Pültau, Naar een andere geschiedenis van de kunst in België van 1975 tot heden. Problemen, hypotheses en onderzoeksvoorstellen, in: De Witte Raaf nr. 100, november-december 2002.
Creator: Koen Brams
Publisher: <H>ART
Date: 14/05/2010
