Bemiddeling: Tussen kunst en publiek in hedendaagse beeldende kunst
01/01/2009 Inge Van ReethBAM
BAM voerde in het voorjaar 2009 een onderzoek naar de publieksbemiddeling in organisaties waar actuele kunst getoond wordt. Er werden gesprekken gevoerd met directieleden en stafmedewerkers publieksbemiddeling van 11 uiteenlopende organisaties, variërend in grootte, ligging, aard van de organisatie en visie op publieksbemiddeling. Het doel van deze bevraging was het opmaken van een eerste stand van zaken.
Op basis van deze eerste terreinverkenning door onderzoekster Inge Van Reeth werd het "Rapport Bemiddeling: Tussen kunst en publiek in hedendaagse beeldende kunst" samengesteld.
Klik hier om het rapport in pdf te lezen.
Bemiddeling
De verschillende organisaties hanteren uiteenlopende begrippen: 'educatie/educatieve dienst', 'publieksdienst', '(publieks)bemiddeling', 'publiekswerking', 'communicatie en publiek',.... De keuze voor een bepaalde term is zelden weloverwogen, vaak is de keuze voor een bepaald begrip toevallig of historisch gegroeid.
De meeste organisaties kunnen zich wel terugvinden in de term 'bemiddeling'. Bemiddeling houdt rekening met de mogelijkheden en beperkingen van publiek en kunst, maar vooral met de eigenheid en autonomie van beide partners die de bemiddelaar nauwer bij elkaar wil brengen.
Bemiddeling is in alle bevraagde organisaties aanwezig en wint aan belang in het actuele kunstveld. Toch lopen de visies op het belang van publieksbemiddeling en de positie ervan binnen een organisatie nog sterk uiteen. Standpunten variëren van 'er kan nooit genoeg omkadering zijn' tot 'zo weinig mogelijk omkaderen en de kunst voor zich laten spreken'. Publieksbemiddeling is een kerntaak voor alle organisaties met een publiek toegankelijk programma. Het denken en doen rond 'publiek maken' is de laatste jaren sterk geëvolueerd. Het is niet langer de laatste schakel in een productieketen, het maakt integraal deel uit van de werking. In het ideale scenario wordt publieksbemiddeling een zaak van het hele team en niet enkel van een bepaalde dienst of medewerker. Al te vaak helt de balans nog sterk over richting de presentatie (de 'kunstkant') en komt de publiekskant te laat binnen het tentoonstellingstraject aan de orde, waardoor er veel kansen blijven liggen.
Voor wie?
Het publiek wordt niet langer gezien als een homogene massa maar als individuele deelnemers met verschillende niveaus, achtergronden en referentiekaders. Bezoekers brengen hun eigen leefwereld, ervaring en kennis mee die ze inzetten om in interactie te treden met de kunst. Deze actieve visie op het publiek is in bijna alle instellingen aanwezig.
Vanuit verschillende organisaties klinkt de roep te focussen op het kernpubliek, in plaats van op het voortdurend uitbreiden van het publiek. Het aanspreken van minder evidente, nieuwe doelgroepen blijft in de meeste organisaties een zeer 'occasionele aangelegenheid'. Op dit terrein ligt vaak een grote kloof tussen wat geformuleerd wordt in beleidsteksten enerzijds en de realiteit anderzijds. De meeste instellingen bouwen hun werking op de eerste plaats uit voor het publiek dat 'binnenkomt', dat de drempel overschrijdt. Slechts een beperkt aantal instellingen zet heel expliciet in op een facet als buurtwerking.
Het is opvallend dat er weinig aandacht gaat naar de bevraging van het publiek. Veel organisaties hebben onvoldoende zicht op hun publiek. Er wordt erg weinig geïnvesteerd in het instrumentarium om het publiek te bevragen over noden en opmerkingen, specifiek op het vlak van de publieksbemiddeling.
Professionalisering
Publieksbemiddeling wint binnen veel organisaties aan belang. Quasi alle organisaties zijn overtuigd van de noodzaak tot bemiddeling bij het tonen van actuele kunst.
Er wordt erg veel geëxperimenteerd, maar er zijn nog een aantal pijnpunten. Er is weinig kennis over de doeltreffendheid van de aangeboden bemiddelingsinstrumenten. Bovendien is er in veel instellingen een significant gebrek aan theoretische onderbouwing en onderzoek rond publieksbemiddeling. Veel instellingen werken op basis van praktijkervaring, een belangrijk doch ontoereikend uitgangspunt. Een meer theoretisch onderbouwde kennis van publieksbemiddeling (methoden, bevraging van het publiek, ...) zou de mogelijkheden sterk doen toenemen. Daarnaast is er de blijvende zoektocht naar het laten doorstromen van het belang van de publieksbemiddeling in alle geledingen van de instelling. Tenslotte is er het gebrek aan financiële middelen, en dus aan personeel en tijd voor publieksbemiddeling. Publieksbemiddeling bevindt zich in dat geval toch nog te vaak aan het eind van de 'voedselketen' binnen de organisatie, waardoor onvoldoende tijd en middelen vrijgemaakt worden voor bemiddeling.
(Inge Van Reeth, Sint-Lucas Antwerpen)

