Reflectie en onderzoek

01/01/2009
Reflectie en (wetenschappelijk) onderzoek zijn in de meeste organisaties voor hedendaagse beeldende kunst - zowel musea als centra voor beeldende kunst - wat in de verdrukking geraakt, onder andere door de (terecht) sterk toegenomen aandacht en inzet van mensen en middelen voor communicatie en publiekswerking. Het is de bedoeling om deze publiekswerking als kerntaak te bestendigen of nog te versterken, en daarnaast reflectie en onderzoek te herwaarderen. Het is noodzakelijk om precies te omschrijven wat onderzoek en reflectie kan betekenen in de werking van een kunstorganisatie.

Voorts stelt zich de vraag wat de relatie is met het onderwijs. Waar situeren zich de essentiële verschillen tussen het onderzoek in een museum of centrum voor hedendaagse kunst en het academische onderzoek? In welke domeinen en op welke manier kan er met de academische wereld samengewerkt worden?

Daarnaast dient de vraag gesteld of er, naast de organisaties en universiteiten, nog alternatieve wegen bewandeld kunnen worden om hoogstaand onderzoek rond hedendaagse beeldende kunst te ontwikkelen. En welke rol kan (het onderzoek in) de bedrijfswereld spelen?

Een belangrijk aspect van onderzoek en reflectie is vanzelfsprekend het publicatiebeleid van de instellingen. In een publicatie wordt de opgedane kennis gebundeld en publiek gemaakt. Hetzelfde geldt voor het onderzoek rond nieuwe presentatievormen en tentoonstellingsformats. De werkplaatsen kunnen in dit domein een aanvullende rol spelen, net omdat publiekswerving en -werking daar niet van primair belang zijn. Ze bieden kunstenaars (en eventueel onderzoekers) ook tijd, ruimte, technische en inhoudelijke begeleiding voor eigen onderzoek en reflectie.

De specificiteit van het onderzoek in instellingen voor beeldende kunst

Musea, centra voor beeldende kunst en werkplaatsen verrichten geen academisch onderzoek maar vullen onderzoek en reflectie in vanuit hun specifieke positie, functies en karakteristieken. Daarbij zijn vijf aspecten van groot belang waarmee het verschil wordt gemaakt met het academisch onderzoek: de langdurige nabijheid van en het contact met de werken zelf; het zoeken van de juiste plaatsing in de ruimte en de context; het directe contact met de kunstenaar; het contact, de dialoog en/of confrontatie met een publiek; de specifieke wisselwerking tussen encyclopedisch en experimenteel onderzoek. Precies de 'nabijheid' (in tegenstelling tot de afstand die eigen is aan de academische bestudering van de kunsten) bepaalt het specifieke karakter van onderzoek en reflectie . Het is belangrijk om dit specifieke beter te definiëren en te valoriseren.

Recente evoluties op het vlak van presentatievormen en tentoonstellingsformats versterken deze specificiteit nog: de ruimtelijke, contextuele en procesmatige aspecten van een tentoonstelling spelen in de huidige tijd volop mee. Dat was vroeger veel minder het geval: zolang tentoonstellingen nagenoeg uitsluitend uit de presentatie van duidelijk afgebakende en ingekaderde kunstwerken bestonden, was de 'afstand' tot de kunstwerken, of het feit dat men ze voornamelijk via reproducties bestudeerde, minder problematisch dan vandaag.

Onderzoek en reflectie kunnen in zo'n organisatie verbonden zijn met verschillende aspecten van kunst waardoor ze telkens anders worden ingevuld: de productie, de presentatie, het archief- en collectiebeleid of de conservatie en restauratie van kunstwerken. Daarbij is er ook een duidelijk onderscheid te maken tussen 'encyclopedische' of 'experimentele' vormen van onderzoek. Het ligt voor de hand dat een museum eerder tot het eerste en een centrum voor beeldende kunst of werkplaats eerder tot het tweede geneigd zijn, maar het is niet aangewezen deze verschillende onderzoeksvormen helemaal uit elkaar te trekken. De interactie tussen de verschillende onderzoeksvormen, gelinkt aan de verschillende functies van de instelling, vormt een onderdeel van de eerder vermelde specificiteit van het onderzoek dat in organisaties voor beeldende kunst kan plaatsvinden.

Om de erfgoedfunctie van de musea voor hedendaagse kunst te bestendigen en te versterken, is het van groot belang dat een integraal beleid gevoerd wordt, waarin het evenementiële en momentane van de tijdelijke tentoonstellingen, het onderzoek (met documentatie, archivering, publicaties) en de collectievorming in een sterke onderlinge interactie uitgewerkt worden. De retrospectieve tentoonstelling van Dara Birnbaum, die begin april in het S.M.A.K. opent, bestaat onder andere uit werken uit de eigen collectie, waaronder het sleutelwerk Tienanmen Square: Break-in Transmission uit 1990. Parallel aan de tentoonstelling wordt een referentiële publicatie over Dara Birnbaums oeuvre samengesteld. De voorbereiding, die zowat drie jaar in beslag genomen heeft, omvatte onder andere een uitgebreide en gedetailleerde inventarisatie van Birnbaums archief, en een onderzoek naar de diverse dragers en de vereiste toestellen en mogelijkheden voor de actuele en toekomstige presentatie van haar vaak bijzonder complexe video-installaties.

Zeker op het vlak van conservatie en restauratie van hedendaagse kunst is zowel de lokale als internationale uitwisseling van kennis en coördinatie van onderzoek van cruciaal belang. De conservatiedienst van het S.M.A.K. startte in 2004 samen met verschillende Europese musea bijvoorbeeld het project Inside Installations. Preservation and Presentation of Installation Art op. Dit project had als doel een groot aantal installatiekunstwerken van toonaangevende internationale kunstenaars uit de collecties van de deelnemende musea preventief te conserveren en het (her)installeren mogelijk te maken. Een samenwerking op Europees niveau heeft grote voordelen op professioneel, artistiek en economisch vlak.

De relatie met het onderwijs en de academische wereld

Wanneer de essentiële verschillen inzake reflectie en onderzoek tussen onderwijsinstellingen en organisaties voor beeldende kunst helder worden, wordt ook duidelijker in welke domeinen en op welke manier beide vormen van onderzoek elkaar door samenwerking kunnen versterken.

Enkele belangrijke evoluties in de academische wereld maken samenwerking met organisaties voor beeldende kunst meer dan vroeger aangewezen: het onderzoek in de kunsten, het doctoraat in de kunsten, en in mindere mate de oprichting van fondsen binnen de universiteiten die, behalve het fundamentele onderzoek en de publicatie daarvan in wetenschappelijke tijdschriften, ook de zogenaamde 'popularisering' van wetenschappelijk onderzoek financieren. Een master-na-masteropleiding kunstwetenschappen en kunsttheorie zou in het Vlaamse kunstenlandschap bijzonder verrijkend kunnen zijn, en de reflectie op de beeldende kunst in Vlaanderen op een hoger, internationaal relevanter niveau tillen.

Zowel inzake wetenschappelijk onderzoek en collectiepresentaties, als in de samenstelling van tijdelijke tentoonstellingen en publicaties blijft het aangewezen om intens samen te werken met de academische wereld. De samenwerking tussen kunstenaar Luc Deleu, de Vrije Universiteit Brussel en het MuHKA vormt hier een mooi voorbeeld van. Binnen de context van het Platform, dat door de Universitaire Associatie Brussel ter ondersteuning en begeleiding van het doctoraat in de kunsten opgericht werd, bereidt Luc Deleu een doctoraat rond zijn Orban Space-project voor. Daartoe reist hij gedurende een paar jaar de wereld rond. Het is de ambitie van alle betrokken partijen dat dit onderzoek in de toekomst in een grote, rondreizende overzichtstentoonstelling en dito catalogus uitmondt. Tijdens de recente Biënnale van Brussel presenteerde het MuHKA alvast een tentoonstelling met werk van Luc Deleu in het metrostation Anneessens. Binnen die context werd door VUB-professor Hans De Wolf een symposium over zijn werk georganiseerd. Binnen het kader van dit project zal de Hogeschool Sint-Lukas Brussel tevens een aantal seminaries organiseren. Kortom, binnen dit project convergeren verschillende soorten kennis en methodologieën. Het overschrijdt ook de doorgaans scherpe grenzen tussen de universitaire associaties, vermits Sint-Lukas tot de associatie Leuven behoort.

Een gelijkaardige convergentie vindt plaats in het kader van de S.M.A.K.-tentoonstelling en publicatie Beyond the Picturesque (april 2009), waarin werken worden gepresenteerd die aan de achttiende-eeuwse notie van 'the picturesque' gerelateerd zijn. De inspiratiebron voor dit project kwam van een essay van Steven Jacobs over het 'neo-pittoreske', dat tevens een hoofdstuk uit zijn doctoraat over de recente geschiedenis van de stadsfotografie vormde. Het verdere onderzoek rond het pittoreske in de hedendaagse landschapskunst in functie van de tentoonstelling en de catalogus werd door Hogeschool Sint-Lukas Brussel ondersteund. In de context van het project organiseerde GUST (Ghent Urban Studies Team, Universiteit Gent) in november 2007 het internationale symposium The Picturesque and Beyond. Een van de sprekers, de Australische kunsttheoreticus John Macarthur, werd uitgenodigd om zijn lezing uit te schrijven voor de tentoonstellingscatalogus. Binnen de context van de tentoonstelling financierde het museum de productie van een reeks foto's door Jan Kempenaers, die binnen de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Gent een doctoraat over het pittoreske voorbereidt. De uiteindelijke tentoonstelling zal de uitkomst vormen van een vrij intense wisselwerking van diverse onderzoeksprocessen, vanuit zowel een academische als een museale invalshoek.

Het is tevens aangewezen dat kunst- en onderwijsinstellingen ook nauwer zouden samenwerken op het vlak van documentatie en archivering, zowel wat het verzamelen en bewaren, als het onderzoek en de ontsluiting betreft. Bijvoorbeeld binnen de Gentse context zou het een meerwaarde betekenen indien de diverse kunstbibliotheken van de museale en onderwijsinstellingen zouden samenwerken en bijvoorbeeld in een gezamenlijke database ontsloten worden. We dienen er ons ook bewust van te zijn dat het stimuleren en ondersteunen van gedegen onderzoek ertoe leidt dat nieuwe archieven ontdekt en ontsloten worden.

Ook op het vlak van lezingen en symposia zou een intensere samenwerking tussen de diverse actoren tot een beduidend hogere kwaliteit en breder publieksbereik leiden.

Onderzoeksinstituut

Het zou een serieuze verrijking op het vlak van onderzoek betekenen indien er, naast de musea en universiteiten, ook een specifiek onderzoeksinstituut op het vlak van de hedendaagse beeldende kunst in het leven geroepen zou worden. Met het Rubenianum beschikt Vlaanderen reeds over een dergelijke instelling in de oude kunst. Zo'n instituut zou zich op een welbepaald aspect van de hedendaagse kunst moeten toeleggen, zodat het zich op dat specifieke domein tot een internationaal referentiepunt zou kunnen ontwikkelen.

De relatie met de bedrijfswereld

Het onderzoek dat gepaard gaat met de productie van kunstwerken kan gekoppeld worden aan de expertise rond materialen en productieprocessen uit de bedrijfswereld. Het zou interessant kunnen zijn indien dergelijke gegevens in een databank verzameld worden.

Samenwerkingsvormen en uitwisseling van ideeën inzake onderzoek en reflectie kunnen evenwel ook een minder 'praktische' inslag hebben en meer inhoudelijk van aard zijn. Ook in de verhouding tussen kunst- en bedrijfswereld kan de vraag gesteld worden waar de cruciale verschillen inzake reflectie en onderzoek liggen, en op welke vlakken er mogelijkheden tot samenwerking bestaan.

Publicaties

Publicaties zijn krachtige middelen om ideeën, bevindingen en reflecties te communiceren. Het zijn ook katalysatoren om die te verzamelen, te verwerken en in een heldere vorm te gieten. Ze vormen dan ook een bijzonder belangrijk bestanddeel van een onderzoeks- en reflectiebeleid in organisaties voor beeldende kunst. Het is daarbij belangrijk om meer publicaties te maken die een vorm van autonomie hebben ten aanzien van de tentoonstelling en ook een waarde op zich bezitten zodat ze een langere levensduur verkrijgen.

Wat de kunstkritiek betreft, hebben de 'brede' media hun kritisch-informerende functie (erg) gereduceerd. Die is overgenomen door gespecialiseerde tijdschriften met een kleiner bereik. Of nog: de markt vult een functie niet langer in, en zij wordt overgenomen door gesubsidieerde spelers. Deze ontwikkeling heeft een grote impact op de professionele ontwikkelingskansen van (jonge) kunstcritici.

Conclusies

Reflectie en onderzoek vormen in musea, werkplaatsen en centra voor beeldende kunst heel belangrijke functies. Organisaties moeten er meer tijd en middelen aan kunnen besteden. Voor reflectie en onderzoek zijn toegankelijke archieven en bibliotheken nodig. Zeer veel materiaal is nog niet gearchiveerd en ontsloten.

Een intense samenwerking met de academische wereld (o.a. op het vlak van academisch onderzoek, presentatie van de collectie, tijdelijke tentoonstellingen) is aangewezen en moet door de overheid gestimuleerd worden. Een master-na-masteropleiding Kunstwetenschappen en -theorie zou bijzonder verrijkend zijn.